| |
|
|
| |
|
| |
|
| |
 |
| |
|
| |
|
| |
Over Zachariël
Artikelen
Contact
|
| |
|
| |
Links
|
| |
|
| |
|
| |
|
| |
Op
alle artikelen op deze website rust auteursrecht.
Overname zonder toestemming is verboden |
| |
|
| |
Copyright
publications.
Publication without permission not allowed. |
| |
|
| |
|
| |
Logo
by
Floor Bos en Edwin Schild. |
|
|
printversie:
(geen PDF? klik hier)
Grondprincipes
van economische organisatie
Wat
is een associatie?
Door EC Bakker
In de driegeledingsbeweging (zie scriptie) duikt met enige regelmaat
het begrip ‘associatie’ op. Sterk leeft de gedachte dat
het daarbij vooral zou gaan om het op de een of andere manier samenbrengen
van vertegenwoordigers van producenten, consumenten en handel. Zo simpel
als dit lijkt, zo moeilijk is het kennelijk om hiermee aan de weg te
timmeren. Mijns inziens komt dit met name omdat men een wat al te statisch
begrip hanteert. Dit artikel wil een bijdrage leveren om te komen tot
een wat levendiger begrip van de materie.
Economie en associatie
“Pas wanneer in de arbeid de wederkerigheid voor elkaar begint,
kan men van arbeid in economische zin spreken.” (1) In deze
zin komt de hele essentie van Steiner’s economische visie tot
uitdrukking; overal in zijn economisch werk kan je deze nadruk op wederzijdse
afhankelijkheid terugvinden. Het is vandaag de dag nog steeds een regelrechte
ondermijning van de grondslagen van de gangbare economische wetenschap.
Ik heb hieruit de volgende conclusie getrokken: de essentie van economie
komt tot uitdrukking in het beeld van twee mensen die iets voor elkaar
doen. Dit beeld kan op verschillende manieren gestalte krijgen, afhankelijk
van het standpunt van de betrokkenen. Verlangen beide iets van elkaar
, dan is er sprake van een ruil in de gewone zin des woords. Verlangen
beide niets van elkaar, dan raakt men aan de hoogste vormen van ‘ruil’.
Twee mensen helpen elkaar; het is het oerbeeld van economie. Twee mensen
houden onzelfzuchtig van elkaar; het is de hoogste uitdrukking van het
oerbeeld en daarmee het eigenlijke ideaalbeeld van economie. Dit ideaalbeeld
kun je niet opleggen; dan ontstaat het Bolsjewisme. Je kunt het wél
helpen te ontstaan; door de economie daadwerkelijk op wederzijdse afhankelijkheid
te baseren. Het is noodzakelijk om daarbij uit te gaan van een basale
ruilsituatie. (2)
Hoe bereiken nu twee mensen overeenstemming omtrent een ruil? Het besluitvormingsprincipe
dat hier regeert kan per definitie niet vrijheid of democratie zijn.
Als men consequent is, ziet men ‘consensus’ als fundamenteel
besluitvormingsprincipe opdoemen: zonder wederzijdse overeenstemming
komt een ruil simpelweg niet tot stand. Nu heb je een aan een dergelijke
vaststelling niet zoveel. Interessant wordt het wanneer men de vraag
stelt hoe het komen tot wederzijdse overeenstemming tussen mensen te
bevorderen valt. Wanneer beide partijen inzicht in de eigen motieven
hebben is dat handig, maar nooit doorslaggevend. Primair is dat men
de motieven van de ander leert kennen.
“ In het economisch leven heeft de mens geen ander uitgangspunt
dan zijn behoeften (...) Als de mens handelt uitgaande van zijn eigen
behoeften, dan treedt hij onder alle omstandigheden op als een anti-sociaal
wezen. Dit is dus nooit of te nimmer de basis voor een sociaal oordeel.
Hieruit volgt met apodictische zekerheid de noodzaak van associaties
(...) ...daardoor dat men de behoeften en ervaringen van anderen leert
kennen, ontstaat een gemeenschappelijk oordeel dat vervolgens in economisch
handelen kan overgaan (...)” (3)
De associatie is in de eerste plaats een orgaan waar men de behoeften
en ervaringen van een ander leert kennen. Vervolgens kan men tot een
afweging van het eigen belang met dat van de ander komen. Dit kan dan
resulteren in het vinden van een zodanig wederzijds belang, dat tot
economisch handelen, een ruil dus, kan worden overgegaan. Het accent
ligt op het overstijgen van het eenzijdige belang. De associatie is
de vorm om wederzijdse belangen te kunnen vinden en daarmee dé
primaire organisatievorm van de economie. (4)
Eenzijdig belang en wederzijds belang
Wanneer men denkt dat op de groentemarkt producenten en consumenten
elkaar ontmoeten, heeft men tot op zekere hoogte gelijk. Je kan op basis
van deze waarneming echter niet een hele economische theorie opbouwen.
Het oerbeeld van economie is van meer belang: wanneer twee mensen iets
voor elkaar doen, zijn beide producent en consument. Samenhangen moeten
geschapen worden, “... opdat bij niemand een eenzijdig producenten-
of consumentenbelang aanwezig is; gelijkmatige belangen.”
(5) Zodra deze eenzijdigheid wél optreedt, spreekt Steiner eigenlijk
niet meer van associaties; eerder van ‘genootschappen’.
Op zichzelf zijn dergelijke belangengroepen voor de economie wel nuttig,
maar ze zijn simpelweg niet de primaire economische organisatievorm.
Het is hierbij goed om voor ogen te houden dat met het toenemen van
de arbeidsdeling in al haar aspecten, logischerwijs ook de behoefte
aan samenwerkingsverbanden in de economie toeneemt. Dit is niet per
definitie een zegen, maar kan juist de eenzijdige wijze van organiseren
versterken. “Men kan in de economie niet meer zonder associaties,
vandaar die eenzijdige associaties van producenten, etc.”
(6) Let wel: ‘Eenzijdige associaties’ is een contradictio
in terminis. “Associatie is precies het tegenovergestelde
van hetgeen tot kartels en dergelijke leidt.” (7)

In werkelijkheid zijn beide partijen op een markt vrager en aanbieder
Zo beschouwd, wordt het allengs duidelijker dat associaties ertoe dienen
om oog te krijgen voor wederzijdse belangen die net even wat verder
liggen dan de eigen neus lang is. “Associaties in een bedrijfstak
bestaan niet, (...) want associatie gaat van bedrijfstak tot bedrijfstak.”
(8)
Het gaat er echt om dat associaties zoveel mogelijk inzicht in alle
mogelijke economische samenhangen kunnen bevorderen. In concreto: associaties
dienen het mogelijk te maken helder te krijgen wat de invloed is van
het aanleggen van de Betuwelijn op de prijs van aardappels in Groningen.
“Zeker is dat het eerste abstracte basisprincipe, dat de associaties
bestaan uit de samenvoeging van de diverse bedrijfstakken.”
(9) Wanneer dit zogenaamde basisprincipe inderdaad al te abstract wordt
opgevat, dan kom je helemaal nergens.
Associatie en centralisatie
Een klassiek organisatiekundig dilemma betreft centralisatie versus
decentralisatie. Beide richtingen zijn voor het bedrijven van economie
echter niet maatgevend. De rechtsstaat tendeert altijd naar centralisatie,
het geestelijke-culturele leven naar decentralisatie, de economie naar
associatie, hetgeen er als het ware tussenin ligt.
Associaties dienen inzicht te bevorderen omtrent de meest verstrekkende
economische samenhangen; dit vereist dus ook overzicht. Voor overzicht
is een positie van bovenaf nodig. Maar in hoeverre leidt dit tot sturing
van bovenaf? “Het is onmogelijk om een economisch lichaam,
wanneer het over een bepaalde grootte uitstijgt en verschillende bedrijfstakken
omvat, centralistisch te besturen.” (10) En:“ Het
economische leven kan men nooit van bovenaf organiseren, maar alleen
maar associëren.” (11)
In zijn algemeenheid mag gesteld worden dat centralistisch sturen ten
aanzien van economie alleen maar in de zin van randvoorwaarden kan;
het komen tot ruil moet verder aan het vrije inzicht overgelaten worden.
De paradox is dat het samenvoegen van allerlei plaatselijke inzichten
echter wel tot een grotere mate van centralisme zal leiden dan men nu
in de Westerse economieën kent. Primair gaat het hier om sturing
van informatie, en juist niet om het centralistisch besluiten tot een
grotere of kleinere produktie van het een of ander. (12)
Kennis en doelmatigheid
Zoals gezegd, kan het bij het associatief samenvoegen van bedrijfstakken
nooit gaan om het creëren van abstracte samenhangen, dus ook niet
om het bij elkaar rapen van wederzijdse belangen op abstracte wijze.
Bijvoorbeeld door schoenmakers, landbouwers en de vertegenwoordigers
van de chemische industrie bij elkaar aan tafel te zetten. “Een
dergelijke situatie ontstaat niet eens, omdat de associaties die in
de economie ontstaan, zich ketenvormig aaneensluiten en van associatie
tot associatie zakelijk onderhandeld moet worden.”(13) Associaties
zijn niet onpraktisch, zij zijn er voor het exponentieel verhogen van
economisch vernuft; het zo goed mogelijk benutten van deskundigheid
op iedere gewenste plek. “ De associatie is geen organisatie,
is niet een of andere coalitie. Ze ontstaat daar waar al die enkelingen
die economisch actief zijn bij elkaar komen en waar die enkeling een
bijdrage kan leveren vanuit de kennis en het vermogen, verkregen op
dat gebied waarin hij of zij deskundig is. “ (14)

Eerste druk van de ‘Kernpunten van het sociale vraagstuk’,
1919
(uiteindelijk werden er destijds 40.000 in Duitsland verkocht)
Hiermee zijn we weer bij het uitgangspunt aangeland. In de ‘Kernpunten’
vindt men omschreven dat het economisch leven verantwoordelijk is voor
het doelmatig organiseren van de warencirculatie. Deze doelmatigheid
heeft mijns inziens twee polen die elkaar kunnen bijten en versterken:
het zo efficiënt mogelijk omgaan met middelen bij het produceren
enerzijds en het zo goed mogelijk op de individuele behoeften toesnijden
anderzijds. Voegen we hier nu bovendien het oerbeeld van economie aan
toe, dan kan men zien dat beide partijen bij een ruil met deze spanningstoestand
te maken hebben.
De associatie staat niet zozeer in dit spanningsveld, daarin staat de
‘waar’, ze ís eigenlijk de uitdrukking van dit spanningsveld.
Daarom gaan associaties terug tot de simpelste ruil, én reiken
ze tot wereldomvattende samenhangen.
Dé associatie bestaat eigenlijk niet; net als de ‘waar’
transformeert ze telkens. Eigenlijk ‘verdwijnt’ de associatie
bij het opheffen van de spanningstoestand die we ‘ruil’
noemen, om vervolgens weer in een nieuw spanningsveld over te gaan.
Net zoals we ons bij de waar moeten afvragen in hoeverre en hoelang
iets ruilobject kan / mag/ moet zijn, zo moeten we ons bij associaties
afvragen of de spanningsvelden c.q. ruilomstandigheden wel naar evenwicht
tenderen: wanneer begint een eenzijdig belang te overheersen? (15) Wanneer
dit gebeurt, dan kan men niet echt meer van ruil spreken, maar begint
de situatie naar pure roof te tenderen. (Steiner spreekt nogal prozaïsch
van “dwangschenkingen”.)
Grootte: evenwichtstendens
Al gaan associaties terug tot de kleinste ruil en reiken ze tot mondiale
samenhangen, toch valt er nog wel wat over grootte te zeggen. Het lastige
schuilt ‘m erin dat het associatieprincipe vanuit verschillende
invalshoeken bekeken dient te worden. Spreekt men over een wereldassociatie
voor olie, dan heeft men het over miljoenen kleine associaties.
Hier doemt natuurlijk een geweldige paradox op. In de economie staat
niemand op zichzelf, men heeft anderen nodig en anderen jou. Maar associatieve
verbindingen staan ook nooit op zichzelf; gezamenlijk vormen ze de wereldeconomie
en alle wereldeconomie tendeert weer naar de meest kleine economische
handeling. Deze paradox zou eigenlijk nog verder uitgebouwd moeten worden
in relatie tot het oerbeeld van economie en de idee van de driegeleding
van het sociale organisme. Hier beperk ik mij ertoe er op te wijzen
dat het oerbeeld de dynamiek in zich draagt, het is niet statisch. Het
gros van de associatieve verbindingen, die er dus altijd al zijn, worden
met onvoldoende bewustzijn gehanteerd. Dat bewustzijn te bevorderen
is essentieel.
We mogen nu dus aan de stelling dat dé associatie niet bestaat,
de volgende toevoegen: ‘een’ associatie bestaat niet. De
grootte van ‘een associatie’ is altijd relatief, in verhouding
staand tot grotere of kleinere ‘associaties’. En zolang
men dit maar goed in het achterhoofd houdt, kan hier gemakshalve wél
van ‘de’ of ‘een’ associatie worden gesproken,
en daarmee ook van grootte. Wat mij (en Steiner) betreft mag je bijvoorbeeld
de relatie tussen een bakker en zijn klantenkring ook een associatie
noemen. (16)
Steiner wees ten aanzien van het afbakenen van associaties primair
op de volgende wetmatigheid: Wanneer men consumentengenootschappen bestudeert,
komt men tot de conclusie dat deze ten eerste alle belang daarbij hebben
zo goedkoop mogelijk in te kopen, en ten tweede om zoveel mogelijk mensen
in hun gelederen te willen hebben. Exact de tegengestelde neiging hebben
producentengenootschappen. Dezen hebben alle belang erbij om zo duur
mogelijk te verkopen en houden liever hun gelederen gesloten uit vrees
voor concurrentie. Dit spanningsveld tussen uitdijen en begrenzen doet
zich voor bij iedere associatie en leidt tot een bepaalde grootte. (17)
Deze wetmatigheid is ingewikkelder dan zij lijkt, aangezien geen enkele
economische wetmatigheid lineair opgevat kan worden. Er zijn altijd
meerdere bewegingen. Ik stip er even een paar aan:
Hoe groter een consumentengenootschap, hoe meer een soort basale gemiddelde
behoefte wordt vertegenwoordigd. Tegelijkertijd echter, nemen de mogelijkheden
voor meer specifieke wensen om zich te organiseren toe. Ofwel, hoe groter,
hoe minder men het eens wordt.
Hoe kleiner een producentenkring, hoe beter men z’n klanten kent,
maar ook hoe beperkter de mogelijkheden om daarop in te spelen. Hoe
kleiner, hoe meer behoefte aan samenwerking. Wordt deze groter, dan
kan effectiever geopereerd worden, hetgeen weer meer mogelijkheden voor
iedere producent afzonderlijk schept om aan meer specifieke wensen tegemoet
te komen. De neiging tot concurrentie neemt weer toe.
Het spanningsveld tussen uitdijen en begrenzen doet zich nu eenmaal
binnen deze clubs ook voor, hetgeen z’n weerslag heeft op het
spanningsveld tussen beiden. Op menig moment zal men dan het tegenovergestelde
van Steiner’s wetmatigheid zien gebeuren. Toch doet dit in essentie
weinig af, maakt alleen maar duidelijk dat je met een abstracte interpretatie
ervan nergens komt. Ik kan deze nog abstracter maken: deze wetmatigheid
laat zich terugvoeren op het gegeven dat de behoefte om te consumeren
doorgaans sterker is dan de behoefte om te produceren. Dit leidt tot
de omvang van een economie überhaupt....
Grootte: onevenwichtigheid
Steiner had ten aanzien van grootte nóg een wetmatigheid: “..te
kleine genootschappen lijden ertoe, dat de deelnemers economisch verkommeren,
(...) te grote genootschappen leiden ertoe, dat andere in het economisch
leven met deze genootschappen verbonden mensen verkommeren.” (18)
Deze wetmatigheid is een wel zeer belangrijke aanvulling op de voorgaande.
Je kan haar ook als een variant ervan beschouwen. Zij is zeer extreem
gesteld, op een andere plek spreekt Steiner zelfs van ‘verhongeren’
in plaats van ‘economisch verkommeren’. Consequent doorgeredeneerd
klopt dat ook. Laat dit extreem doortrekken echter niet afleiden van
mildere consequenties, die al pittig genoeg kunnen zijn.
Hoe kleiner een associatie, hoe kleiner de mogelijkheden voor (wederzijdse)
behoeftebevrediging. Toch realiseren veel betrokkenen zich dit maar
al te vaak niet. Dat is bijvoorbeeld duidelijk waarneembaar bij kleinschalige
idëele initiatieven. Onder het mom van opoffering voor de moreel
hoogwaardige zaak, wordt in vele gevallen door de meest betrokkenen
de relevante vraag naar vergroting vermeden. Zo kan het brengen van
offers resulteren in sociale uitputting.

Een typische Wal-Mart vestiging in de VS. Ieder filiaal heeft enorme
gevolgen voor de lokale economie
Wat een te grote associatie betreft, een simpel voorbeeld: wat is het
effect van een mega-supermarkt? Dat de mensen met beperkte vervoersmogelijkheden
er niet kunnen komen. De supermarkt in hun buurt verliest wél
klanten; hun ‘associatie’ wordt kleiner. Derhalve mag je
stellen: een associatie die te groot is, leidt ertoe dat andere te klein
worden. Deze korte toelichting is natuurlijk zeer beperkt. Zie onder
meer de kanttekeningen bij de eerste wetmatigheid. Te grote associaties
leiden bijvoorbeeld ook tot interne spanningen, maar het is de kunst
te zien dat dit daar niet de primaire werking is.
Samenvattend: de eerste wetmatigheid geeft de evenwichtstendens naar
grootte weer, de tweede legt de nadruk op de consequenties van onevenwichtigheid.
(19) Deze wetmatigheden, hoe simpel ook gesteld, kunnen de lezer veel
inzicht verschaffen in economie.Wie de dynamiek van de ‘dicht
bij huis’ voorbeelden goed kan vatten, heeft daarmee een belangrijke
sleutel in handen om ook de grotere economische samenhangen beter in
te zien. Neem een land als Frankrijk, dat zeer centralistisch is georganiseerd;
de regio Parijs is een enorm grote samenballing van economische activiteit.
Je kunt Parijs nu als een veel te grote associatie zien en je afvragen
in hoeverre vele andere regio’s daardoor in feite economisch te
klein zijn. En wat te denken van de mondiale Noord-Zuid verhoudingen?
Wie dergelijke zaken in het licht van deze wetmatigheden bestudeerd,
zal gegarandeerd nog een aantal andere verwante wetmatigheden kunnen
definiëren. Diepe waarheden zullen zo ook in een nieuw licht komen
te staan. Wanneer Christus tegen zijn discipelen zegt: “geeft
elkander uw liefde, gelijk Ik u mijn liefde gegeven heb”,
dan kan men het associatieprincipe zeker in dit licht betrachten. Het
verbazingwekkende voor mij is hierbij dat het oerpraktische en hoogst
morele zo opeens blijken samen te vallen.

Het laatste avondmaal, Tintoretto (1594)
Conclusies?
Ik wil het hierbij laten. Bij deze heb ik door een beperkt aantal invalshoeken
te behandelen, hopelijk een bijdrage geleverd tot een wat levendiger
voorstelling van wat onder een associatie verstaan kan worden. Wat dit
nu allemaal in de praktijk kan betekenen is een andere vraag. Voorop
moet staan dat men altijd en overal kan beginnen te werken in de richting
van de driegeleding. Dat geldt ook voor het werken aan associatievorming.
De enige voorwaarde is de wil om te komen tot een daadwerkelijke economische
‘weten’schap. Ik benadruk de letterlijke interpretatie hiervan:
Is men niet alleen bereid z’n eigen economische zaakjes wat beter
voor elkaar te hebben, maar.... is men werkelijk bereid inzicht te krijgen
in de gevolgen van het eigen (economisch) handelen en werkelijk begrip
op te brengen voor de handelwijze van zijn broeder of zuster? Dat betekent
niet anders, dan bovenal met elkaars dubbelganger (20) geconfronteerd
te worden. Zonder samenwerking kan de dubbelganger nooit getransformeerd
worden en anderzijds, zonder uiteenzetting met de dubbelganger kan men
nooit in vergaande mate samenwerken. Lukt het om met deze moeilijkheden
om te gaan, dan zal samenwerking pas echt vrucht dragen. Zo vormt men
associaties.
Dit artikel verscheen in Driegonaal, zomer 2000.
Literatuur en noten:
BR ‘Betriebsräte und Sozialisierung’, GA 331
FS ‘Fallstudien. Die Assoziationen der Wirtschaft’, Freiburg:
Institut für Gegenwartsfragen, (1980) Veel van de citaten zijn
ook in de GA’s te vinden. Zie daartoe de Duitse tekst op deze
site.
NS ‘Nationalökonomisches Seminar’, GA 341
RK ‘Rednerkurs’, GA 338
WO ‘Westliche und Östliche Weltgegensätzlichkeit’,
GA 38
1. NS 3-8-1922
2. Het ideaalbeeld wordt in het nu volgende met rust gelaten; hoe meer
men dit benaderd, hoe meer totaal andere wetmatigheden op de voorgrond
gaan treden.
3. RK 16-2-1921 Er is hier een vertaalprobleem. Steiner spreekt doorgaans
van ‘Interessen’ en niet van ‘Bedürfnisse’.
Ik vind het vertalen met ‘belangen’ niet in overeenstemming
met de Nederlandse taalbeleving, het doet wat vervreemdend aan. Vertalen
met ‘behoeften’ is een noodgreep, maar zet mensen niet op
het verkeerde spoor.
4. De gedegen driegeleder zal mij wellicht willen wijzen op uitspraken
van Steiner dat hij de pest heeft aan het woord ‘organiseren’.
Steiner had hier echter vooral de pest aan, omdat in die tijd de klassieke
vorm van organiseren overal de boventoon voerde. Het veronderstelde
altijd het organiseren vanuit een centrum van bovenaf. Zie FS 12-10-1920.
5. FS 25- 5-1919
6. RK 16- 2-1921
7. FS 10-10-1920
8. FS 10-10-1920
9. FS 12-10-1920
10. BR 24- 6-1919
11. FS 25- 5-1920
12. Dit laatste zal juist veel decentraler tot stand komen dan vandaag
de dag gebruikelijk is, maar dat werk ik hier niet uit.
13. BR 23- 7-1919
14. WO 12- 6-1922
15. Het probleem met het begrip ‘waar’ is een artikel apart
(uitgewerkt in de scriptie op deze site). Er zijn veel bestudeerders
van de driegeleding die grote problemen hebben met de vraag of diensten
hier nu ook onder vallen. Dit komt omdat Steiner ‘waar’
principieel gedefinieerd heeft als hetgeen uit de natuur door menselijke
arbeid ontstaat. Dit is het grondbegrip van waaruit Steiner zijn economische
wetenschap opbouwt. Vanaf dit uitgangspunt dienen echter diensten (die
hun oorsprong hebben in het ‘aangrijpen van geest op arbeid’
) echter wel degelijk in verband te worden gebracht met waren. De bottleneck
in dezen is, dat diensten in menig opzicht door menselijk vernuft als
‘natuurlijke’ waren behandeld dienen te worden, juist omdat
ze dit naar hun aard niet zijn! Steiner wees er (reeds in januari 1919)
op, dat ‘geestelijke prestaties’ de eigenschap hebben dat
ze zich makkelijk kunnen multipliceren. Bijvoorbeeld een boek, een voordracht,
een uitvinding. Zo ontstaat oneerlijke concurrentie met ‘echte’waren:
juist dit probleem moet men dus oplossen.
16. FS 23- 3-1919 en 10-10-1920
17. FS 13- 5-1919
18. FS 16- 5-1919
19. Interessant is dat Steiner in beide gevallen de wetmatigheden in
termen van ‘genootschappen’ formuleert. Zodra de zaak te
eenzijdig wordt geeft hij aan deze term de voorkeur.
20. Freud sprak van het collectieve onbewuste, Jung van de schaduw,
Rudolf Steiner van de dubbelganger. Aan dit laatste geef ik de voorkeur
omdat dit het meest een individueel en autonoom karakter heeft. Algemene
noemer blijft echter de onbewuste kanten van een ieder. Zie eventueel:
het Zachariël-artikel van
H. Oehms.
|