|
![]() |
| Zachariël> Artikel |
|
printversie:
Koopkracht en beschikkingsmacht Geld: een kwestie van afspraken en aanspraken Door EC Bakker De komst van de Euro biedt een mooie gelegenheid om eens nader stil te staan bij de vraag hoe ons huidige geldstelsel eigenlijk functioneert. In het economisch gedachtengoed van Rudolf Steiner zijn wat dat betreft belangrijke aanknopingspunten te vinden. In de afsluiting van zijn ‘National Ökonomischer Kurs’ riep hij de deelnemers hiertoe op om terug naar de basis te gaan en zich de gang van zaken in een eenvoudige gemeenschap voor te stellen. Van daaruit zou men kunnen inzien waarom in de moderne economie het geld eigenlijk een factor op zichzelf is geworden. Vervolgens zou men dan als vanzelf tot het inzicht moeten komen dat geld eigenlijk in de loop der tijd in waarde af zou moeten nemen. De handschoen is bij deze opgepakt. Geld is een regeling Wat is geld? Het eerste wat men moet vaststellen is dat geld niet zo eenduidig te omschrijven valt, omdat verschijningsvorm en werkwijze de meest uiteenlopende vormen aan kan nemen. Geld is immers in de eerste plaats een door mensen geschapen regeling. Wat nu in deze regeling tot uitdrukking komt is de eigenlijke vraag. Geld representeert met name ‘koopkracht’: het vermogen
beschikkingsmacht te verwerven over tal van zaken. Maar welke zaken
dan en hoever gaat daarbij de beschikkingsmacht? Door deze vraag wordt
de zaak al heel wat concreter. Het maakt in een klap duidelijk dat zonder
meer over geld spreken eigenlijk niet kan. Geld staat nooit op zichzelf:
geld is een representant. Wie nu een biljet van 100 euro in handen heeft, mag zich afvragen wat hierin allemaal wel niet tot uitdrukking komt. Het is als het ware een aandeel in allerlei eigendomsrechten. Vandaag de dag zit hier zoveel in, dat je wel gek zou zijn om dit uit te pluizen. Toch kun je een eind komen en de meest vreemde dingen ontdekken.
Vanuit het verleden naar de toekomst De vreemde zaken waarop men bij het geldonderzoek stuit, blijken vooral betrekking te hebben op het fenomeen dat in het geld oeroude aanspraken verborgen zitten die nog tot in de verre toekomst kunnen doorwerken. Neem nou grondbezit; spectaculaire voorbeelden zijn te vinden in Engeland, waar de oude adel al honderden jaren geen revolutie heeft gehad die ze onteigende, of de nazaten van de Spaanse conquistadores in Midden- en Zuid-Amerika met hun uitgestrekte plantages. Dichter bij huis en in de tijd is de Nederlandse huizenmarkt, waarbij veel mensen hun vermogen hebben zien verdubbelen door simpelweg in hun huis (c.q. op de grond) te ‘zitten’. Men moet echter stevig doordenken om echt een notie te krijgen van wat er al niet vanuit het verleden in het geld doorwerkt. Grondbezit vergemakkelijkt dit inzicht echter aanzienlijk.
In zijn algemeenheid is grond iets wat in verschillende opzichten van zichzelf uit al produktief is. Bij een groeiende bevolking alleen al omdat er een toenemende vraag naar is om op te kunnen wonen. Daarnaast kan men denken aan zoiets als vruchtbaarheid van de grond. Het punt is dat men voor dergelijke voordelen niets hoeft te doen. De ganbare economische wetenschap beschouwd particulier bezit en in het bijzonder grondbezit echter als een groot goed. Het stimuleert investeerders immers om initiatief te nemen. Neem nu iemand die hard gewerkt heeft en besluit van zijn spaarcenten
een fraai stuk grond te kopen. Zo iemand loopt toch risico dat de grond
in waarde daalt door bijvoorbeeld overstromingen, bevolkingsachteruitgang
en wat al niet. Daar staat dan de kans op winst tegenover. Op zichzelf
is winst in verband met genomen risico ook legitiem. Maar wat al te
vaak klopt, is dat men zijn spaarcenten ruimschoots terug heeft verdiend,
allang zijn risico gecompenseerd heeft en op zijn lauweren kan gaan
rusten. Anderen kunnen nu feitelijk voor jou gaan werken of voor je
kinderen, kleinkinderen, etcetera. De enorme opkomst van de technologie in de afgelopen 200 jaar heeft dergelijke situaties alleen maar versterkt. Zie voor de analogie met het grondbezit het gegeven dat technologie, net als natuur, van zichzelf uit al een enorme produktiviteit kan hebben. Het principe is wellicht zelfs eenvoudiger waarneembaar bij aandelen in bedrijven. Ook hier zijn er tal van momenten waarbij de verhouding met het genomen risico volkomen zoek is, waardoor de situatie ontstaat dat de medewerkers in het bedrijf ondergeschikt blijven aan de kapitaalverschaffers. Het geld wat u nu in uw hand heeft wordt daarom gestadig minder waard omdat er veel te veel aanspraken uit het verleden aan blijven hangen; er blijven teveel mensen op deze basis profiteren. In essentie is dit de voornaamste en (on)eigenlijke bron van inflatie. Het principe van het blijvend bezit kent echter nog een andere verschijningsvorm, en dat is het geld zélf. Geld mag dan wel sec gesproken een representant zijn van allerhande rechtsregelingen, maar waar komen die briefjes vandaan? Een dorpseconomie Om een beter begrip te krijgen hoe het geld tegenwoordig werkt, is het goed om een eenvoudige, in zichzelf besloten dorpseconomie voor te stellen. Om het dorp heen bevindt zich landbouwgrond die door een groot deel van de bewoners bewerkt wordt. Daarnaast zijn er natuurlijk kinderen, zieken en bejaarden. Deze laatste groepen hebben zorg nodig en onderwijs. U kunt zich dan voorstellen dat het dorp een leraar en een arts heeft. Deze hebben minder tijd om op het land te werken, of helemaal niet. Feitelijk komt het er toch op neer dat beide van de verschillende boeren een deel van de oogst krijgen. Wordt dit zo geregeld door middel van briefjes die ze bij de verschillende boeren in de loop van het jaar kunnen inleveren, dan beginnen we al in de buurt te komen van onze huidige voorstelling van geld. Curieus is dat op het moment dat de leraar zo’n briefje inlevert bij een boer, het briefje zijn waarde verloren heeft. Het geld is ‘verbruikt’. Stel nu dat de leraar geen Bourgondisch type is en niet al zijn briefjes inlevert, ze bewaart. Het volgende oogstjaar komt hij met een paar oude briefjes aanzetten bij de desbetreffende boer. Wat dan? Dan zegt die boer: “Ik heb nog wel wat uitgedroogde wortels liggen van vorig jaar, die jij niet bij mij hebt afgehaald. Die kun je krijgen. Voor de oogst van dit jaar kom je maar met nieuwe briefjes aan.” Hoe simpel ook; hieruit mag u in elk geval opmaken dat geld uit het ene jaar beduidend verschilt van geld uit het andere jaar.
Centrale distributie Nu kan het buitengewoon handig blijken te zijn, dat het dorp een centraal
coördinatieorgaan opzet dat de briefjesuitgifte regelt. Begrijp
wel dat dit niet zomaar een praktisch besluit is, maar dat aan de gelduitgifte
allerhande rechtsregelingen ten grondslag liggen. Wil het dorp gezamenlijk
een leraar betalen, dan refereert dit aan een recht op onderwijs. Bij
de arts gaat het om een recht op gezondheidszorg. Bij de kinderen kunt
u aan een soort kinderbijslag denken, hetgeen toch een onafhankelijk
recht op inkomen/zorg/opvoeding als gedachte heeft. Bij de bejaarden
geld iets soortgelijks. Nog steeds is het zo dat bij inlevering het geld verdwijnt, en geld
per oogstjaar verschilt. Het geld is echter universeler geworden. Het
wordt een stuk aantrekkelijker om het als ruilmiddel te gebruiken. Zeker
wanneer men op een dag niet meer bijvoorbeeld zuivel-, groente- en vleesbriefjes
onderscheidt, maar ‘gewoon’ (dus wel goed doordacht) een
getal er op zet, als representant van de gehele oogst. Geld besparen Stel nu dat men dat verdwijnen van het geld nogal lastig vindt; elk
jaar weer opnieuw geld uitgeven en aan de oogst relateren. Waarom niet
gewoon die briefjes geen einddatum geven en maar zien wanneer ze ‘binnenkomen’?
Gewoon een kwestie van de geldhoeveelheid goed bewaken en zorgen dat
de boeren hun oogstdeel afstaan. Toch is dit op zichzelf voordelig voor
de mensen die geld besparen; het heeft voor de anderen een nadelig effect
wanneer de bespaarders hun geld op een gegeven moment toch in de roulatie
gooien. De geldhoeveelheid neemt dan toe en geld wordt minder waard.
Men kan hieruit de conclusie trekken dat geld eigenlijk de uitdrukking
is voor de produktiemogelijkheden op een gegeven moment.(3) Wordt daar
geen gebruik van gemaakt, dan wil dat niet zeggen dat die mogelijkheden
er, pak ‘m beet, een jaar later nog zijn. Dit is het best waarneembaar
bij landbouwgrond; gebruik je deze een jaar niet, dan wil dat niet zeggen
dat je een jaar later de dubbele oogst kan verkrijgen. Wat gebeurt er nu bij het lenen? In de toekomst krijgt de uitlener
zijn geld terug, die extra mogelijkheden die hij heeft geschapen zijn
benut door anderen, en hij heeft nu de vraag voor zich wat hij met de
extra mogelijkheden van dit moment gaat doen. So far, so good; er is
immers geen vergroting van de geldhoeveelheid opgetreden, op geen enkel
moment. Sterker nog; zolang het geld maar op deze wijze ‘rolt’,
maakt het zelfs niet uit of er wel of niet een einddatum op komt te
staan……. Toename van de geldhoeveelheid Resumerend; door de resultaten van het extra werk neemt de waarde van
geld uiteindelijk (weer) toe en zijn de verstorende gevolgen van toename
van de geldhoeveelheid niet alleen weer in orde gebracht, maar bij een
geslaagd produktie-initiatief ruimschoots gecompenseerd.
Het moge duidelijk zijn dat het geld zo zeer ondoorzichtig wordt. Zij die sparen zien immers per saldo hun geld toenemen; tegenwoordig verdubbelt het na zo’n 10-15 jaar. (De waarde is dan wel feitelijk minder door inflatie en belastingen, maar groeien doet het!) Concreet betekent dit dat iemand die in het ene jaar bespaart, niet alleen meer het feitelijke ‘ontwaarden’ van het geld als zorg aan anderen overlaat (bij het ontbreken van een gelddatum kun je dit misschien beter meteen al ‘herwaarderen’ noemen). Hij krijgt met het verstrijken der jaren uiteindelijk véél meer dan ‘zijn’ hergewaardeerde geld terug. Met andere woorden: steeds grotere aanspraken krijgt hij op de toekomst, naarmate hij zijn besparing blijft uitlenen. Begrijpt u dit goed; de spaarder krijgt uiteindelijk niet meer alleen het equivalent van ‘zijn’ oude geld met produktiemogelijkheden van dit moment, maar relatief veel meer dan dat. Eventueel mag je dit een risicopremie noemen, (zoals gangbare economen zich er simpelweg vanaf maken) maar dan is de beloning tegenwoordig gegarandeerd veel te hoog. Wederom wordt de hiervoor als grondfout van het kapitalisme geschetste uitspraak van Rudolf Steiner duidelijk. Zij die geld lenen merken dit vooral door het fenomeen van rente over rente bij het aflossen van hun schuld. Concreet: iemand die 100.000,-- leent tegen 10% rente en ieder jaar 10.000,-- aflost, heeft aan het eind van zijn leven nog steeds dezelfde schuld en misschien wel 300.000,-- aan aflossing betaald. (Wellicht kan de lezer dan begrijpen waarom Steiner op zichzelf aan rente wél een legitiem principe ten grondslag vindt liggen, maar rente over rente volstrekt afwijst. Rente over rente stoelt namelijk op hetzelfde principe als het oneindig bezit van produktiemiddelen zoals grond.) Helaas herkennen wij de eigenlijke achtergrond van deze gehele gang van zaken niet meer. Het is goed voorstelbaar dat in ‘ons’ dorp opstanden zouden ontstaan en het kantoor van het distributie-orgaan wellicht platgebrand zou worden. Onze nationale economie, ingebed in een enorm internationaal netwerk, is echter niet zo doorzichtig. Al het voorgaande is dan ook nog maar een inleiding in het economisch denken dat noodzakelijk is om de werkelijkheid te benaderen. Nieuwe claims op de toekomst Misschien kunt u zich nu nog meer voorstellen bij de in het begin geopperde stelling dat in uw briefje van 100 oeroude aanspraken uit het verleden huizen. Stel dat een Nederlandse grootgrondbezitter in de 19e eeuw zijn grond verkocht en dat geld op de bank zette; dan weet u dat als hij en zijn nazaten dit een beetje normaal beheerden, zijn achterkleinkinderen hier nog steeds van kunnen leven. Anderen hebben dit geld continu voor hen geherwaardeerd en zullen dat de komende eeuw blijven doen.
Nog belangrijker echter is het gegeven dat momenteel steeds meer nieuwe claims op de toekomst worden gelegd. De banken werken immers gestadig door, hun geld mede verdienend met het door ons zelf aan hen verleende recht op geldschepping. De overheid emancipeert middels de Europese (Monetaire) Unie nog verder van ons vandaan, met als gevolg dat we nog moeilijker invloed kunnen uitoefenen op miljardenprojecten die we uiteindelijk in de loop der jaren zelf moeten betalen. Het systeem van financiering middels aandelen strekt zich over steeds meer gebieden uit, zoals het openbaar vervoer, het communicatienetwerk, de energievoorziening en gegarandeerd binnenkort de gezondheidszorg. Ofwel; nog meer mogelijkheden om eigendomsrechten tot in de verre toekomst te verwerven.
Zeer boeiend is ook de slag om ons dagelijks brood in letterlijke zin; er wordt keihard gewerkt aan het kunnen claimen van alle gewassen, middels het patenteren ( en zo veel mogelijk toepassen) van uitvindingen op het gebied van DNA en daaraan verwante genetische modificaties. Een patent is doorgaans zo’n 50 jaar geldig, dus dat wordt betalen. Conclusies De aan het begin van dit artikel gestelde vraag naar de aard van het
geld is ten dele beantwoord. Ik heb laten zien dat het ook geen eenvoudige
vraag is. Hopelijk heb ik wel duidelijk kunnen maken waar de schoen
wringt; we zijn het ‘vergeten’, we zijn het overzicht kwijt.
Geld wordt met onvoldoende bewustzijn gehanteerd. Bewustzijnbevorderend
is het onder ogen zien dat langdurige eigendomsrechten van produktiemiddelen
tot uitdrukking komen in geld. Daarnaast het inzien van de werking van
het laten toenemen van de geldhoeveelheid, produktief gemaakt door het
verstrekken van leningen met rente, ofwel het verlenen van extra mogelijkheden
(werkprikkels) om gebruik te maken van produktiepotentie. Het artikel verscheen in Bruisvat2, voorjaar 2000.
Noten: 1. Zie hiertoe ‘Markt en Overheid’. Voor Steiner’s
richtinggevende voordrachten over de dorpsgemeenschap: GA 340, 13e en
14e voordracht, 5-6 augustus 1922. Vertaald in het Nederlands. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||