| |
|
|
| |
|
| |
|
| |
 |
| |
|
| |
|
| |
Over Zachariël
Artikelen
Contact
|
| |
|
| |
Links
|
| |
|
| |
|
| |
|
| |
Op
alle artikelen op deze website rust auteursrecht.
Overname zonder toestemming is verboden |
| |
|
| |
Copyright
publications.
Publication without permission not allowed. |
| |
|
| |
|
| |
Logo
by
Floor Bos en Edwin Schild. |
|
|
Het
Reïncarnatie-Onderzoek van Jostein Saether
Herinneringen
aan Atlantis
Door EC
Bakker
In 1999 verscheen het boek ‘Wandeln unter unsichtbaren Menschen
‘ van Jostein Saether. Het boek is een hoogstpersoonlijk verslag
van Saether’s ervaringen op het gebied van zijn eigen incarnatie-onderzoek.
Opmerkelijk hierbij is de grote hoeveelheid herinneringen aan incarnaties
die tot in oeroude tijden teruggaan. Een bijzondere plaats is daarbij
ingeruimd voor herinneringen aan Atlantis. In 2001 verscheen de Engelse
vertaling.
Jostein Saether
Jostein Saether (1954) is afkomstig uit Noorwegen. Op zijn 17e had
hij een intensieve droom die onmiskenbaar op een vorig leven scheen
te wijzen. Als twintiger kwam hij op het spoor van de verschillende
karma-oefeningen die vervat zijn in het werk van Steiner; zo rolde hij
de antroposofische beweging binnen. Daarbinnen werkte hij als pedagoog
en kunstzinnig therapeut. Als veertiger beleefde hij midden in een levenscrisis
een grote doorbraak in zijn vermogens om incarnatie-onderzoek te doen.
Dit mede omdat hij in de loop der jaren gaandeweg zelf tot nieuwe onderzoeksmethoden
was gekomen. Hij besloot ermee naar buiten te treden, omdat het antroposofisch
incarnatie-onderzoek sinds Steiner op een laag pitje was komen te staan.
Saether’s primaire drijfveer is echter de overtuiging dat incarnatie-onderzoek
per saldo grote mogelijkheden biedt om spanningen tussen mensen te verminderen
c.q. vruchtbaar te maken, omdat men zo de diepere achtergronden van
persoonlijke relaties kan leren onderkennen. De persoonlijke consequenties
van zijn openbaarmaking liegen er echter niet om. Vele vrienden en familieleden
hebben het contact verbroken. De redactie van het internationale antroposofische
verenigingsblad ‘das Goetheanum’ was een jaar lang niet
in staat iemand te vinden die zijn boek überhaupt wenste te bespreken.
Het doodzwijgen en gepraat achter zijn rug om namen uiteindelijk zulke
groteske vormen aan, dat Jostein Saether eind 2000 uit de ‘Hogeschool
voor Geesteswetenschap’ is gestapt.

Jostein Saether
‘Het bouwen van een hut’
De kern van Saether’s onderzoeksmethode is, wat hij noemt, het
‘bouwen van een hut’: het creëren van een veilige plaats
in je eigen binnenwereld van waaruit je op onderzoek uitgaat. Dit gaat
allemaal niet van vandaag op morgen: reïncarnatie-onderzoek is
niet een hobby die eenvoudigweg opgepakt kan worden. Saether heeft zelf
thuis een ruimte gecreëerd die al een bepaalde veilige sfeer heeft,
en aldaar begeleidt hij mensen bij hun eerste onderzoekstappen. Begeleiding
is toch zeer van belang, aangezien er welzeker bepaalde risico’s
aan reïncarnatie-onderzoek kleven. Ook aan de eigenlijke hoofdmeditatie
gaat nogal wat vooraf, nog afgezien van het feit dat de mensen met wie
Saether wil werken, doorgaans al een lange weg op het gebied van innerlijke
ontwikkeling hebben doorlopen. Zo wordt er uitgebreid bij de biografie
stilgestaan met de vele wetmatigheden zoals 7-jaarsritmen, spiegelmotieven
en dergelijke, om uiteindelijk gaandeweg enkele hoofdmotieven op het
spoor te komen.
De hoofdmeditatie bestaat uit zeven stappen (1) waarbij de eerste drie
een soort opstijgen in de geest beduiden, dan een soort rustpunt, waarna
de laatste drie eigenlijk een soort indalen betekenen. In de eerste,
zgn. ‘levendige’ fase stapt men in de meditatie door uit
de eigen biografie een geografische plek te kiezen waar men als kind
positieve ervaringen heeft opgedaan; een tuin, een landschap o.i.d.
Men verplaatst zich hierin en probeert de stemming van dit oord te beleven:
“Wat heb ik daar beleefd? Hoe ziet het eruit? Hoe kan ik mij
hier oriënteren?” Zo probeert men zich op deze plaats
als het ware de schepping voor de geest te halen. Eigenlijk gaat het
hier om de gehele elementenwereld in brede zin. Deze stap is eigenlijk
nog geheel exact, er komt geen fantasie bij te pas. Maar dan komt op
deze plaats een ziele-element erbij, de tweede stap. Vanuit het levendige
wordt in iets zielsmatigs overgegaan, nu door de fantasiekracht, de
kunstzinnige kwaliteiten die men heeft. Men denkt: “Daar voor
mij staat een huis en ik stap er naar binnen.” Dat stelt
men zich zeer concreet voor. Men heeft dan eigenlijk twee hulsels voor
zichzelf geschapen; het landschap en de binnenruimte. Men treedt door
deze sferen bij zichzelf naar binnen. Op dit moment zijn de zintuigindrukken
losgelaten, vervolgens de eigen herinneringen en stapt men daadwerkelijk
in de eigen binnenwereld. (2)
Eenmaal in deze ruimte, die eigenlijk een soort beeld voor de ziel
is, tracht men contact te leggen met de geestelijke wereld. Specifieker;
het is zaak hier een concrete verhouding tot de eigen engel zien te
vinden, om zich vervolgens door deze te laten leiden, mee te kunnen
gaan. (3) Het gaat hier om het vinden van een persoonlijke vertrouwensband,
vergelijkbaar met de band die men met zijn opa of oma gehad kan hebben
als kind; het gevoel van geborgenheid, behoed te worden door een reuzengroot,
goed wezen. Men staat het zichzelf toe aan deze vertrouwenspersoon te
vragen: “Zou je me innerlijk in deze meditatie tegemoet willen
komen, hier in deze opgebouwde ruimte, om mij op mijn verdere weg te
begeleiden?”
Dan komt de derde stap, die men vertrouwend op de engel tracht te gaan,
richting geestelijke wereld. Men stelt zich een soort brug voor, b.v.
een regenboogbrug, een wolkenbrug, die dwars door de hut naar boven
voert. Je bestijgt die brug tot je helemaal bovenop bent, zeer hoog
boven de aarde. Men tracht zich daar te oriënteren en in te leven;
“Daar ver beneden staat mijn hut. Hoe voelt dit?“
Je kijkt naar links, naar rechts, etc. “Wat is er boven me?
De kosmos, daar bevindt zich mijn engel, dus ik ben eigenlijk in de
geestelijke wereld.” En men staat zichzelf toe deze geestelijke
wereld nog niet zozeer te aanschouwen, maar er een vermoeden van te
hebben. Men kan de sterrenhemel boven zich laten zijn, of een atmosfeer
vol van wevende kleuren, zoals men die eens gezien kan hebben bij een
zonsopgang, of in een vliegtuig. Het is altijd goed om zoveel mogelijk
aan te sluiten bij de eigen ervaringen. Let wel; dit zijn alles nog
hulpvoorstellingen, oefeningen, puur bedoeld om enerzijds bij jezelf
te blijven en anderzijds innerlijk stil te worden, open.
Om nu tot de vierde stap te komen, de eigenlijke tussenstap, moet men
een beslissing nemen. Dit heeft men weliswaar al bij aanvang van de
meditatie gedaan, maar nu doet men het nogmaals ín de meditatie:
“Nu zou ik karma-onderzoek willen leren, ik zou in willen
dalen in een vroeger leven. Ik zou willen dat mijn engel, met achter
zich de geestelijke wereld, Christus, mij die ervaring aanreikt waartoe
ik rijp ben.” Dit besluit richt men als vraag aan zijn engel.
Het is een spannend moment; het is mogelijk dat men hier al directe
geestelijke waarnemingen krijgt, dat men verrast wordt, omdat op de
een of andere wijze een wel zeer concrete reactie komt. Normaal gesproken
gaat het hier echter in de eerste plaats om het (sterke) gevoel van
vertrouwen, opdat inderdaad de vierde stap gezet kan worden.
Deze vierde stap is wederom een soort van innerlijke omvorming. Aanvankelijk
staat men nog op de brug als ruimtebelevenis, de aarde daar beneden,
in het hier en nu. Maar nu zegt men tot zichzelf: “Alles wat
beneden is, staat nu voor het verleden. Daaronder is tijd. Alle tijden
waarin ik geïncarneerd was, zijn daar beneden ruimtelijk over de
aarde verdeeld. Nu ga ik daar ergens heen, waarheen weet ik niet; ik
weet immers nog niet wanneer ik geïncarneerd was. Mijn engel weet
het echter wel en weet wat ik aankan: ik daal af. “ Je probeert
nu jezelf als mensengestalte naar beneden schrijdend te voelen, tot
de voeten aan toe. Met de voeten probeert men concreet de aarde te betreden,
want zo was het immers ‘vroeger’ ook.
Nu kan er van alles gebeuren, waarbij het bovenal een kwestie is van
de balans weten te vinden tussen het ervaren van de belevenissen van
het moment en de eigen bewuste activiteit. Men moet altijd in het achterhoofd
houden dat men in een meditatie is en ervoor zorgen dat men een zekere
wakkerheid behoudt, een soort ‘denkwil’; de bereidheid ook
iets anders te vragen dan hetgeen zich op dat moment voordoet, opdat
men zich vrij kan bewegen. Er kunnen beelden opkomen, imaginaties, waarbij
men toch moet onderzoeken of dit nog benaderingen c.q. metaforische
beelden zijn, of reeds volkomen reëel. Saether stelt op zo’n
moment als begeleider van mediterende mensen veel vragen. Zo kan aan
de hand van opeenvolgende gebeurtenissen een verhaal ontstaan. Men vervolgt
een mens die als hoofdpersoon beschouwd kan worden in een landschap
en/of een gezelschap van mensen.
De ervaringen die men hier kan opdoen zijn zeer intensief en het is
dan ook zaak om hier gedoseerd mee om te gaan. De zaken kunnen altijd
later nog eens nader onderzocht worden. De laatste drie stappen zijn
een gefaseerde terugkeer. Eerst gaat men weer ‘omhoog’ naar
de brug en rust daar uit. (Men kan dan bijvoorbeeld de engel nadere
aanwijzingen vragen hoe de gebeurtenissen te duiden zijn.) Vervolgens
daalt men af naar de hut, alwaar men afscheid neemt van de engel en
deze bedankt. In de hut laat men nog eens de vele vragen bezinken die
door dit alles opgekomen zijn. De hut kan bovendien nog de functie hebben
om motieven uit een vorig leven als in een soort ‘karmisch herinneringsmuseum’
op te slaan. Heeft men zichzelf bijvoorbeeld in een vroeger leven als
een strijder beleefd waarbij men een zwaard in de hand had, dan kan
men dit zwaard innerlijk meenemen en in de hut een plek geven. Hierdoor
creëert men een soort voorraad van herinneringshulpmiddelen voor
verder onderzoek en wordt de hut ook steeds meer een thuisruimte. Vervolgens
gaat men naar buiten en laat de scheppende krachten van het landschap
nog eens goed op zich inwerken, alvorens in het normale dagbewustzijn
terug te keren. Deze stapsgewijze, voorzichtige terugkeer is van groot
belang, opdat al die nieuwe innerlijke ervaringen enigszins beschermd
en teruggehouden worden en ze zich niet direct in het dagelijkse leven
mengen. Als volgende opgave geldt dan om tot een gesprek te komen over
de doorgemaakte belevenissen, een belangrijke voorwaarde om ze te kunnen
verwerken en kritisch te beschouwen. (4)
Imaginatie, inspiratie en intuïtie
De ervaringen die opgedaan worden in een dergelijke meditatie geven
niet automatisch de zekerheid dat men ook daadwerkelijk die en die persoon
is geweest. Ruwweg zijn in dit verband drie niveaus te onderscheiden.
Aanvankelijk gaat het vooral om beelden, het imaginatieve niveau. Men
kan echter pas echt van imaginatie spreken wanneer die beelden niet
meer innerlijk voor de geest zweven, maar wanneer men daarin zelf actief
wordt, zich er zelf doorheen kan bewegen. Hetzij door van buitenaf te
kijken, hetzij vanuit het standpunt van de vermoedelijke hoofdpersoon,
hetzij vanuit andere betrokkenen. Het imaginatieve niveau heeft echter
nog een afstandelijk karakter. Pas wanneer men zich ook kan invoelen,
dus van binnenuit de gevoelens van de betreffende persoon mee kan beleven,
begint men op het inspiratieve niveau te komen. Men kan dan bijvoorbeeld
letterlijk de pijn voelen die degene destijds beleefde. Toch is het
ook bij de inspiratie nog niet zeker of je zelf daadwerkelijk die persoon
geweest bent. Die zekerheid biedt pas de intuïtie. Daar kan men
pijn beleven als iets wat tegelijkertijd naast je staat. D.w.z. de ervaring
dat je binnen de meest verschrikkelijke belevenissen, je jezelf ook
als een rustige geest hervindt. Langs deze weg van imaginatie en inspiratie
naar intuïtie, ontstaat bij de laatste uiteindelijk een soort omvormingskracht
vanuit een innerlijk hervinden die tegelijk een ‘zeker weten’
met zich meebrengt. Van hieruit ervaart men in zeer directe zin een
leerproces, een genezende werking voor het dagelijks leven. Intuïtie
heeft therapeutische kracht. (5)
Atlantis
Saether’s eigen incarnatie-onderzoek is overweldigend. Opvallend
zijn de enorme tijdsperioden die zijn ‘individualiteiten-galerie’
(zoals hij het zelf met een knipoog noemt) omvat. Atlantis neemt een
centrale plek in, vermoedelijk omdat daar de grondslagen zijn gelegd
voor zijn incarnatielijn in de na-Atlantische periode. Hier is gekozen
voor het weergeven van enkele passages omtrent Atlantis, niet zozeer
uit sensatielust, maar om te laten zien dat incarnatie-onderzoek in
elk geval sterk tot de verbeelding kan spreken. Tevens mag men hieraan
een vermoeden ontlenen omtrent de gang van zaken in een stuk oergeschiedenis
van de mensheid.

Een blik op de bodem van de Atlantische Oceaan. Volgens Saether
liggen sommige stukken van het oude Atlantis nog boven de zeespiegel:
op de Azoren (oude plek zonne-orakel: zie foto helemaal onderin de tekst),
de Bermuda’s (oude plek Jupiter-orakel) alsmede Ierland en Guyana-Suriname.
Saether omschrijft tot in zeer specifieke details het hoogte- en omslagpunt
van de Atlantische cultuur, waarbij over het gehele toenmalige continent
mysterietempels waren geplaatst die ieder samenhingen met werkingen
van de hoofdplaneten. ( Vreemde eend in de bijt is het Vulcanusorakel.)
De Atlantische cultuur kenmerkt zich in de hier weergegeven beelden
nog door een sterk centralistisch georganiseerde, duizenden jaren durende
eenheidscultuur.
De Gamamila
“ Een organische kunst, die naar mijn bevindingen alleen
door Mercurius-ingewijden werd uitgeoefend, was de vervaardiging van
vliegende vaartuigen die ‘Gamamila’ werden genoemd. De naam
betekent zoiets als ‘ Zo innig met zijn uitgezondene verbonden
zijn, dat ze de weg naar huis terug zullen vinden’. Het schip
draagt dus een naam, die op een geestelijke activiteit van de betreffende
ingewijden in het Mercurius-Orakel duidt, die thuis blijven, maar daardoor
de innerlijke verbinding met de uitgezondenen in stand houden. De reizigers
voelden zich dan in de Gamamila met hun ‘thuisorakel’ verbonden.
Deze vaartuigen werden door de rondreizende Mercurius-ingewijden duizenden
jaren gebruikt tot aan het moment dat de magische kunsten niet meer
uitgeoefend konden worden en andere bouwkunsten ontwikkeld waren. Voor
het Zonne-orakel, dat ook de mogelijkheid om te reizen moest hebben,
werden speciale schepen gebouwd. Het creëren van een Gamamila was
een kunstzinnig samenwerken van goden, elementwezens en plantenprocessen;
40 dagen en nachten lang. Vanuit de fysieke invalshoek gezien, ging
dat ongeveer als volgt in zijn werk:
Op een soort kleine heuvel in de buurt van het orakelcentrum zijn reeds
vele voorbereidingen getroffen. In de omgeving zijn speciale plantages
met uiteenlopende plantensoorten, die het bouwmateriaal zullen leveren.
Schamu’radhin, op dit moment eerste stuurman voor één
van de vele reisgroepen, zit, ligt en beweegt zich in een organische
vorm, die geleidelijk tot een Gamamila ontwikkeld wordt. De vormsubstantie
komt van de vele plantensoorten, die regelmatig direct van de plantage
aangevoerd worden. Zo past men op een gegeven moment grote bladeren
van een cactusachtige, maar plastische plant toe. In deze bladeren wordt
Schamu’radhin, zittend met beide handen als roeren tussen de bovenbenen,
ingepakt. Door zijn ritmische bewegingen en alle lichaamsvloeistoffen
die hij afscheidt (zweet, spuug, tranen en zelfs zaad en bloed), wordt
de Gamamila van binnenuit gevormd. Van buitenaf ‘boetseren’
medewerkers – de latere medereizigers- met handen en plantenoliën
en steeds nieuw plantenmateriaal. Daaromheen ‘vullen’ dans,
gezang, muziek en spreekkoren het groeiende vaartuig met alle Mercuriale
impulsen die de Atlantische mensen eigen zijn.
Eenmaal gereed, kon de Gamamila dertien mensen met bagage transporteren.
Zij bewoog zich meestal in een atmosfeer, die een soort mengsel van
dun water en dikke lucht was. De snelheid van de Gamamila lag tussen
de 20 en 50 km per uur. Het naar onderen uitstrekken van de handen bij
het open achtergedeelte verschafte het contact met de elementenwereld.
Daardoor ontstond de voorwaartse beweging en in een soort van overdracht
naar de twee vleugelzeilen, het bijsturen naar links of rechts. Het
vaartuig had een zekere gelijkenis met de veel latere Vikingschepen.
De toentertijd nog over helderziende vermogens beschikkende mensen konden
de vliegende Gamamilla zelfs als een vliegende draak in hun ziel beleven.
Eigenlijk is het ook zo, dat een astraal beeld van goddelijk-geestelijke
drakenwezens door Mercuriale magie zo in ethersubstantie (planten) omgevormd
werd, dat het daadwerkelijk tot een schip voor de mensen kon worden.
De Atlantische atmosfeer in deze tijd zou ik als volgt willen trachten
te omschrijven: de lucht was dikker dan vandaag, nevelachtig, maar zo,
dat het zonlicht erdoor kon stromen, echter op geheel andere wijze dan
vandaag mogelijk is. Men werd van de veel vochtigere lucht opmerkelijk
genoeg niet nat, maar het water was met de lucht zo verbonden, dat ik
haar als slijmachtig zou willen omschrijven. De lucht had een soort
plasticiteit, die iedere beweging, zij het door fysieke bewegingen van
mens of dier, of door de spraak, opnam en doorgaf. Het horen en ruiken
werd door dieren en mensen bijna als een aanraking ondervonden. “
Het Zonne-orakel
“ Schamu’radhin reist met zijn gezelschap naar het
Zonne-orakel in het Noorden. De gezanten van het Mercurius-orakel zijn
voor alle betrekkingen tussen de verschillende Atlantische orakels verantwoordelijk;
bijzonder belangrijk is echter de verbreiding van nieuwe impulsen voor
alle Atlantische nederzettingen en volksstammen, in de vorm van sociale
instellingen en civilisatietechnieken die in het Zonne-orakel ontwikkeld
zijn.
De Gamamila volgen speciale, zich boven land en water in de lucht bevindende
‘elementale’ wegen die reeds in de loop van duizenden jaren
door de ingewijden in samenwerking met de geestelijke wereld gevormd
zijn. Men zou ze kunnen omschrijven als een tot de aarde behorend kringloopsysteem,
in welke de ethersoorten altijd andersoortig stromen dan elders in de
omgeving.
De tocht naar het Noorden gaat langs de Oostkust, door dikke, nevelige
lucht. Schamu’radhin gebruikt een fluit, gemaakt van grote peulvruchten.
Om dieren van het vaartuig te verjagen, maar ook om de te bezoeken orakelplekken
de aankomst te verkondigen. (6) Na ongeveer 10-12 dagen komt het eindelijk
het grote ogenblik: de in spiraliserende manouvres gaande verdere opstijging
naar het hoogste vulkanische gebergte van het gehele continent, waar
ook niemand zonder Gamamila komen kan. (7)
Op de hier weergegeven reis wordt Schamu’radhin vergezeld
door een jonge Mercurius-ingewijde, Thamu’thamas (‘Degene
die anderen toevertrouwd, wat hij van God ontvangen heeft’), die
voor de eerste maal een dergelijke reis meemaakt. En hij beleefd nu
een groot wonder: De meeste Atlantiërs hebben nog nooit de zon,
de planeten en de sterren, de blauwe hemel gezien. Boven de Zonne-vulkaan
met de heilige naam Xandorra’tauwa (‘God’s gezegende
Zonne-plaats’), stromen echter continu hete gassen uit en maken
de lucht erboven open. Bij het opstijgen van de Gamamila tot de Vulkaanrand
ziet de jonge Thamu’thamas zo voor de eerste maal de blauwe hemel
en de zon. Aanvankelijk is deze ervaring voor hem nog te intens. Speciaal
daarvoor heeft hij een rendiergewei meegebracht, waarop een dun gespannen
vissehuid is bevestigd; daarmee kan hij zich beschermen. Wegzwenkend
van de vulkaanrand gaat de tocht omlaag naar het Zonne-orakel in het
binnenste van dit oord, gevormd door bergformaties met de ‘zonnetrap’
in het midden, met vijvers, kanalen, plantages en twaalf verschillende
werkplaatsen, die rondom de gehele bergrand verdeeld zijn.
De reizigers verblijven hier enige tijd. Ze brengen eerst een bezoek
aan de Zonne-ingewijde Tami’tame’scham (‘Hij heeft
het vertrouwen van de goden om de macht vorm te geven’) In het
Marsorakel geboren, werd deze als volwassene naar het Zonne-orakel gehaald,
om voor de geheime innerlijke leiding van het Zonne-orakel de macht
naar buiten toe te representeren. Hij is in ezelshuid gekleed en met
een hertegewei gekroond. Bij de processie op de zonnetrap staan wit
geklede tempeldienaressen aan de rechterkant, die de bestijging met
opwaarts strevende bewegingen begeleiden. Bij de afdaling maken ze naar
beneden gerichte bewegingen.
De nieuweling Tamu’thamas wordt met bijzondere vreugde begroet.
Hij krijgt de opdracht toevertrouwd, aan het Vulkaanorakel een nieuwe
metseltechniek over te dragen. Vanuit het Zonne-orakel zal nu de nieuwe
impuls gegeven worden, om overal op het Atlantische continent grote
stookovens te bouwen, om de dichte atmosfeer op te lossen. (Rondom deze
‘hittetempels’ vormen zich in de loop van de komende duizenden
jaren Atlantische steden en dorpen)…………………”

Tot zover een impressie van Saether’s methode en werk. Voor
verdere geïnteresseerden: ‘Wandeln unter unsichtbaren Menschen’
,1999, uitgeverij Urachhaus, of ‘Living with invisible People’,
2001, Temple Lodge Press, Clairview Books.
Dit artikel werd gepubliceerd in Bruisvat 6, 2001.
Noten:
(1) Saether laat hieraan eerst een spreuk voorafgaan en speelt enkele
inleidende motieven op een ‘Tachtivirta’; een lier die op
basis van astrologische kennis vervaardigd is.
(2) Dit soort ‘omstulpingsprocessen’ zijn karakteristiek
voor de hele meditatie en vereisen toch een zekere innerlijke kracht.
(3) Ieder mens heeft een engel, die in zekere zin staat voor de persoonlijke
verhouding die een ieder tot geestelijke werelden heeft. Hoe gerichter
men hiermee omgaat, hoe concreter de verhouding tot de eigen engel is.
De engel is in deze zin de begeleider van ieders persoonlijke ontwikkeling,
deze helpt hoe dan ook, en reikt aan de lopende band ontwikkelingsmogelijkheden
aan; bijvoorbeeld door ontmoetingen tot stand te helpen brengen. Curieus
genoeg is hetgeen men ermee doet voor de eigen ontwikkeling van de engel
ook weer van belang, maar een beschermengel laat de mens hierin vrij,
legt nooit dwingend op.
(4) Eigenlijk mag zonder meer geconcludeerd worden dat reïncarnatie-onderzoek
überhaupt het beste gedaan kan worden met een vertrouwd persoon
in de nabijheid.
(5) Intuïtie is zeer moeilijk in woorden te vatten. Saether zelf
benadrukt dat hij het vooral als taak ziet om mensen tot imaginaties
te leren brengen. Hij heeft vaak meegemaakt dat mensen zo snel mogelijk
willen doorstomen naar intuïtie, om maar vooral die innerlijke
zekerheid te willen hebben: “ Men wil meteen op 100% zeker, men
wil meteen ‘alles’ hebben. Het valt echter maar te bezien
of men wel zo snel kan gaan. Het gaat toch eerst daarom, die stap te
ontwikkelen die met imaginatie van doen heeft. Dat is belangrijk. Überhaupt
eens een keer innerlijke beelden te krijgen”
(6) De fluit had hij zo vervaardigd, dat hij door zorgvuldig insteken
van zijn handen en vingers in de groeiende vrucht van binnenuit gaten
creëerde, die na het drogen door in- en uitademen bijzondere tonen
lieten onstaan.

Corvo, gezien vanaf het nabijgelegen eiland Flores
(7) Saether vindt deze plaats terug als het huidige eiland Corvo, het
kleinste eiland van de Azoren, waar bij zijn weten nog nooit archeologische
onderzoekingen hebben plaatsgevonden.

De krater op Corvo moet de plek zijn die Saether bedoeld. Ik zou zeggen:
onderzoek direct de heuvel in het midden.
|