|
![]() |
| Zachariël> Artikel |
|
10/12/05
Atlantis: Berichten uit een actueel verleden (deel I) Door M. Carolus Net zoals in de eigen biografie door een bepaalde aanleiding of gebeurtenis, belevenissen van lang geleden opeens weer helder voor de geest komen te staan, komen vandaag de dag herinneringsbeelden aan een reeds lang vervlogen oerverleden van de mensheid aan het licht. De arts en reïncarnatietherapeute Marianne Carolus geeft een overzicht van de overvloed aan fenomenen met betrekking tot het onderwerp Atlantis uit geschiedenis, literatuur en praktijkervaringen uit de reïncarnatietherapie. Vol ontzag zien wij de twee nevelachtige bergtoppen van Changmian,
het tweetal bergtoppen daarachter en het derde tweetal daar weer achter.
Kwan stoot mij aan: „Nu kun je misschien draken zien“,
zegt zij, „twee bij elkaar, ja?“ Zij pakt mij bij
de schouders en zet mij zo neer, dat ik de toppen in dezelfde lijn zie.
„Ogen dicht“, beveelt zij, „Amerikaans
denken opzij zetten, nu Chinees denken. Maak je geest dromerig. Stel
je twee draken voor – man en vrouw. Ja? Nu weer kijken.“
Ik open mijn ogen. En het is alsof het verre verleden de plaats van
het nu ingenomen heeft. „De toppen bewegen zich op en neer,
achter elkaar“, zeg ik. „Dat zijn hun ruggen, toch?
En zoals de twee voorsten overgaan in de heuvel – dat zijn hun
koppen. Die houden het dal tussen hun snuiten“
Anders ging het tussen Amerika en Japan. Hier staan niet de Japanners die in de VS leven op de voorgrond. Hier werd eerder de omgekeerde weg bewandeld: van Pearl Harbour tot Hiroshima en Nagasaki, en de infiltratie van Japan met de Amerikaanse cultuur en technologie. Uit Japan kwam kort geleden de Pokémon-rage naar alle kinderen in de wereld aanwaaien. Pokémon zijn de 'Pocketmonsters’ of eigenlijk 'geesten in zakformaat’. Kinderen vanaf 10 jaar mogen leren om ze te trainen. Het oorspronkelijke Pokémon-verhaal vertelt heel mooi, hoe het eigenlijk om een geschiedenis van bevrijding en verlossing handelt, door inzicht, begrip en liefdevolle aandacht. Ash, de hoofdfiguur, heeft zich door studie grondig voorbereid. Hij heeft alles over de pocketgeesten geleerd en mag er één van zijn leraar uitkiezen. Hij verslaapt echter het juiste tijdstip (omdat hij daarvoor van opwinding niet in slaap kon komen). In plaats van een keuze te maken uit de Stier-, Leeuw of Schorpioenachtige geesten, staat voor hem voorlopig alleen nog de onder de aarde verborgen, elektrisch geladen Picachu ter beschikking. Deze vierde pocketgeest is anders als de anderen, wat onder andere blijkt uit zijn vermogen om te spreken (ook al is het alleen zijn eigen naam). De training begint, en ontwikkelt zich meer en meer tot een zich invoelend inleven van Ash in Picachu. Pas als het zover is dat Ash Picachu volledig vrij kan laten, bereid is hem op te geven, te offeren, gebeurt het: Picachu blijft en helpt.
Het 'trainen’ van de pocketgeesten gaat verder en steeds weer moet Ash leren, door invoelend begrijpen wezens te bevrijden, die vervolgens, met een voorkomen als van een oogbol (wit en rood door de zenuwen en bloedvaten en een zwarte pupil) aan zijn riem hangen of in een tasje bewaard worden. Waar vindt hij deze pocketgeesten? Welnu; verborgen in rotsen, bomen, grotten, op bergtoppen, in golven, in dieren: verborgen in de gehele zintuigelijke wereld. De esoterie wijst op het feit dat alle fysieke zaken in de wereld ontstaan zijn als een verdichting van geestelijke wezens. Zoals nevel zich verdichten kan tot water en dit weer tot ijs, zo zijn alle fysieke vormen verdichte, 'omgetoverde’ elementwezens. Rudolf Steiner, helderziend onderzoeker aan het begin van de 20e eeuw, spreekt nu niet alleen van dit betoverd-zijn van elementgeesten in de materie, dat volgens hem het hoogtepunt bereikte in het midden van de Atlantische tijd, maar ook omtrent de mogelijkheid, deze weer te 'onttoveren’; te bevrijden en te verlossen: „De mens, die de indrukken van de buitenwereld geestelijk verwerkt, die met zijn ideeën en begrippen zich voorstellingen maakt over de geestelijke grondslag van de wereld, die verlost door zijn eigen geestelijk proces het elementwezen dat van de buitenwereld naar hem overstroomt, die heft het op tot hetgeen wat het was, die bevrijdt het elementwezen uit zijn betovering (...) de verloste elementwezens moeten aanvankelijk in de mensen blijven, maar alleen tot aan de fysieke dood van de betreffende mens“(Düsseldorf, 1909)
In zijn voordrachten over de grenzen van de natuurkennis (1920) wijst Steiner op het onvermogen van het tot dan toe ontwikkelde, abstracte natuurwetenschappelijke denken. Hij wil laten zien, hoe Goethe het voelen tot een eigen intelligentie ontwikkelde en spreekt van 'inspiratie’. Goethe nam invoelend de natuur waar en vond in de omgang met de plantenwereld het metamorfoseprincipe. Bij Pokémon vinden wij deze waarheden in versluierde vorm terug: Door 'inzicht bevrijden’ is geworden tot 'Catch them all!’ (Vang ze allemaal!). Misschien omdat de brengers van deze boodschap, beeldschermen en computerelektronica, niet anders konden? De opvolgers van de Pokémon-rage, die alweer op zijn retour is, zijn de 'Drakenkogels’('Dragonballs’); magische krachten, die net zo door hun (onder-) materiële dragers versluierd of zelfs misbruikt worden. Desalniettemin toont zich ook hier: oude drakenkrachten worden wakker....
Tegenwoordig, op de drempel van het derde millennium, duiken in de boekwinkels voortdurend ‚Fantasy’-boeken op, bijvoorbeeld de 700 bladzijden dikke boeken van Robin Hobb ('Boeken van de Zieners’, 'Boeken van de Nar’, 'Boeken van de Levende Schepen’), en ook New Age boeken zoals die van de Amerikaanse Lynn Andrews, die door Indianen in Canada over zaken als astraalreizen onderricht werd, of de Russische Olga Kharitidi ('het Pad naar de Sjamaan’), die van sjamanen in het Siberische Altai-gebergte leerde zich door tijd en ruimte te bewegen. Kharitidi bericht over de ontmoeting met een spiritueel leraar, die haar de legende van het geheimzinnige land Belovodja vertelt, niet als archetypische fantasie, maar als feit: „Lang geleden, zo lang dat het geen zin heeft om het tijdstip preciezer vast te leggen, schokte een catastrofe het grote continent, dat nu als Eurazië aangeduid wordt. De leidende elite van een geciviliseerde beschaving, die toen in Noord-Siberië bestond, had deze catastrofe reeds vooruitgezien.Het klimaat in deze omgeving was destijds zeer mild, totaal anders dan vandaag de dag. De daar ontstane civilisatie was hoog ontwikkeld. Haar verworvenheden werden later voor een deel door jullie cultuur gekopieerd, maar haar kennis en vaardigheden waren toch zo verschillend, dat je je niet meer kunt voorstellen hoe het destijds was. Als direct gevolg van de catastrofe trad een volledige klimaatverandering op. In plaats van het warme, gunstige klimaat, kwam vorst over het land. Al snel was de gehele omgeving met ijs bedekt en het was onmogelijk voor deze beschaving geworden, om daar te overleven. Maar ook na de ineenstorting zette de leidende elite alles op alles om hun kennis te bewaren. (…) Zij konden hun persoonlijke tijdsbeleving zelf bepalen en hadden geleerd, langs telepathische weg over grote afstanden te communiceren. Zij beschikten over het vermogen om de toekomst van tevoren te plannen en hun sociale structuur was het effectiefste wat ooit bestaan heeft. Na de ramp werd voor degenen die fysiek daartoe in staat waren, de uittocht naar het verre zuiden georganiseerd. De spirituele elite besloot achter te blijven. Deze mannen en vrouwen maakten een aantal intense transformaties door. Van jouw standpunt uit beschouwd, zou je zeggen dat ze stierven. Ze vormden echter een collectieve kern van geconcentreerde energie, die met de rest van het volk, dat zich op weg naar het zuiden bevond, verbonden bleef.”
Volgens de verteller inspireerde deze spirituele kern in Siberië zowel het ontstaan van het zoroastrisme in Iran, alsook de tradities van de Veda en het tantraboeddhisme, dat deze spirituele bron van oorsprong later aanduidde met de naam Shamballa. Maar ook de cultuur van de druïden stamt hier vandaan. Altijd zijn binnen deze religieuze tradities mensen direct door Belovodja geïnspireerd. De belevenissen van Olga Kharitidi vinden een fysiek aangrijpingspunt in de vorm van een mummie die recentelijk in een sarcofaag in Altai gevonden werd. De tatoeages die op de mummie gevonden zijn, heeft zij in haar boek als illustraties verwerkt. De motieven van duizenden jaren oud hebben een levendigheid die vergelijkbaar is met de bekende grotschilderingen uit de holenkunst van het stenen tijdperk (Magdalénia, Lascaux, Altamira) Haar spirituele lerares onthult haar verder nog: “De indianen wisten hoe zij met de schepen van Belovodja konden reizen.” Stenen die tot draken worden, mensenzielen die zich in de zielen van
andere mensen, in dieren en in de meest uiteenlopende tijden in kunnen
leven; wat duikt hier allemaal momenteel in het menselijk bewustzijn
op? Het zijn ervaringen die ons met een ver terugliggend verleden verbinden.
Vaak tonen deze zich helemaal niet zo expliciet aan de buitenwereld,
maar soms toch wel. Zo publiceerde de bekende Amerikaanse actrice Shirley
Maclaine in 2000 een boek, waarin zij haar ervaringen op de oude pelgrimsweg
naar Santiago de Compostela beschrijft, een tocht van 800 kilometer
die deze inmiddels 60-jarige dame te voet door Zuid-Frankrijk en Noord-Spanje
afgelegd heeft.
Tastbare bewijzen Ook de schrijver Erich von Däniken is op zijn zoektocht naar ‘bewijzen’ voor het bestaan van een oude Atlantische beschaving, op de samenhang tussen de leylijnen en Atlantis gestuit. Naast leylijnen, megalithische tempels en rotstekeningen heeft hij ook op beelden van een zodanige reusachtige omvang gewezen, dat ze alleen vanuit de lucht kunnen worden gezien. Deze beelden zouden onder andere lucht- en zelfs ruimteschepen uit de Atlantische tijd tonen.
Evenzo heeft Charles Berlitz geprobeerd tastbare sporen van culturen
van voor de zondvloed te vinden. Bij reparaties aan kabels, die op de
bodem van de Noord-Atlantische Oceaan liggen, vond men Tachyliet, basaltachtig
lavagesteente: boven water afgekoeld, wordt het glasachtig, onder water
kristallijn. In de oceaan vond men dit lavagesteente, dat zich tot op
15.000 jaar oud liet dateren en klaarblijkelijk boven water afgekoeld
was. Naast de esoterische aanwijzingen omtrent Atlantis uit het eerste derde deel van de 20e eeuw van Rudolf Steiner, Edgar Cayce en de studies van Emil Bock en Sigismund von Gleich (beide leerlingen van Steiner) en de meer op feiten georiënteerde aanzetten van Däniken en Berlitz gaat de jongste golf van Atlantis-aanwijzingen vooral van mensen met eigen ervaringen uit. Het zijn ervaringen, die zij spontaan, als leerlingen van sjamanen, of in het kader van reïncarnatietherapie opgedaan hebben. Waar komen deze ervaringen nu opeens vandaan? Wij weten allemaal, dat wij bijvoorbeeld soms door bepaalde geuren
terug in het verleden gevoerd kunnen worden. Olijfolie brengt mijzelf
bijvoorbeeld terug naar een klein plaatsje aan de Middellandse Zee waar
ik jaren geleden mijn vakantie in de buurt van een kleine olijfoliefabriek
doorbracht. De geur van zelfgekookte jam, dampende aardbeien, voert
mij terug naar een keuken van tientallen jaren geleden.
Tegenwoordig verbreidt zich, om puur praktische redenen, steeds meer een beeldtaal. Zo genoemde ‘icons’ (of ‘logo’s’) vergemakkelijken in treinstations, luchthavens en in het stadscentrum de oriëntatie. Veel mensen lezen nauwelijks nog. Zij kijken naar TV-schermen en maken gebruik van internet; allemaal visuele media. Er zijn echter ook beelden die in stilte ontstaan, als zaden, die onder de grond en buiten het directe zicht ontkiemen. Is er zoiets als beelddenken? Een mooi voorbeeld hiervan is in het hierboven vermelde boek van Amy Tan te vinden: “Uiteindelijk leerde mevrouw Banner om de zaak bijna met Chinese ogen te bekijken. Bijna. Zo zei zij, dat krekels eruit zagen als vallende dode bladeren en klonken als een knisperend vuur, aanvoelden als droge boomschors, roken als opwaaiend stof en smaakten als in olie gebakken duiveltjes. Maar ze zei ook, dat ze krekels niet mocht en dat ze geen nut hadden in deze wereld. Begrijp je; op vijf manieren bekeek ze de wereld met Chinese ogen. Maar er was ook altijd een zesde manier, de Amerikaanse, om zich vooral af te vragen of iets nuttig was.”
Jeannine Anboyer heeft een belangrijke karakteristiek van het gebruik van perspectief in de Chinese kunst gegeven: de horizonlijn en het verdwijnpunt bevinden zich niet voor, maar achter de toeschouwer. Wie nu bespeurt hoe deze andere manier van waarnemen van invloed is op het bewustzijn, vindt bevestigd, wat Rudolf Steiner in een van zijn arbeidersvoordrachten uiteen zet: „Wij denken bijvoorbeeld 'dier’en denken 'mens’; wij denken 'vaas’, wij denken 'tafel’. Zo dachten de oude Chinezen niet; zij kenden een leeuw, een tijger, een hond, een beer, maar ze wisten niet dat er zoiets als een dier bestond (het abstracte begrip dat de diersoorten omvat; MC). Zij wisten: mijn buurman heeft een hoekige tafel, de andere heeft een wat rondere tafel. De afzonderlijke dingen noemden zij.“ Steiner beargumenteert, hoe daardoor de taal en het schrift in China onzettend gecompliceerd werden. Zij denken in beelden, maar „vervolgens verplaatsen zij zich in het innerlijk van het betreffende voorwerp“. Hierdoor wordt iemand meer de buitenwereld in getrokken. Bij dit beelddenken hoort dat iemand wat losser en niet geheel vast in het fysieke lichaam ingesloten zit. Iets van dit lossere vindt men ook bij het lezen van het voorwoord
van Erika Dühnfort’s boek ,Aan de rand van Atlantis: Ierse
Heiligen, Helden en Druïden’. Zij beschrijft daar de belevenis
bij het bestijgen van een heuvel op een moerassig schiereiland aan de
kust van Ierland: nog voordat de wandelaar de top bereikt heeft, komt
hij in de mist terecht. Wat van benedenaf, vanaf het landweggetje gezien,
misschien nog op een wolk leek, wordt nu, boven aangekomen, iets buitengewoons.
Wanneer men de grond niet meer ziet, overschrijdt men een drempel, voelt
zich ver boven de alledaagse werkelijkheid uitstijgen, zo plotseling,
dat men daarvan schrikt; die vertrouwde wereld kon opeens wel eens voorgoed
verloren zijn gegaan. En dan, zo beschrijft Dühnfort verder, wordt
de vochtige nevel bijna verblindend licht, alsof de zon zich in ieder
drupje spiegelt, zodat de schapen in eerste instantie als monsters op
je af lijken te komen. Plotseling kan men zichzelf dan, aldus Dühnfort,
zó beleven alsof men op de bodem van de zee loopt en niet op
een heuvel, alsof men licht omhoogzweeft tot aan het wie weet hoog boven
je liggende wateroppervlak. Het trauma van de ondergang Het andere element dat herinneringen naar boven haalt, de ‚gebeurtenis-trigger’,
heeft met ondergang te maken. Gedurende de 20e eeuw, en ook nu nog,
beleven we enorme ‚ondergangs’-verschijnselen. Daarbij moet
niet alleen gedacht worden aan de grote catastrofes van de wereldoorlogen,
de massavernietiging van mensen, en ook niet de atoomboom. Deze rampen
zijn zo pijnlijk en hartverscheurend, dat zij ons bijna het zicht ontnemen
op de kleinere, alledaagse en geleidelijke stappen van de ondergang
van onze Europese cultuur.
Wij zijn allemaal bij deze gang van zaken betrokken, maar worden echter zo gemanipuleerd, dat wij achteraf altijd oprecht kunnen zeggen: „Wij hebben het niet geweten.“ Hoe sterk wordt ons denken wel niet door de media beïnvloedt, door dominante menigen en overheersende wereldbeschouwingen, die belangrijke en alternatieve zienswijzen meestal niet aan het woord laten komen. Zo hoort men bijvoorbeeld bij het als 'objectief’ te boek staande journaal, steeds weer nieuwsberichten over het gebrek aan orgaandonaties. Het hele fenomeen van orgaantransplantatie tussen mensen wordt als vrijwel vanzelfsprekend beschouwd en geheel niet meer ter discussie gesteld. Alsof de mogelijkheid niet bestaat dat misschien voor iedere ziel een eigen, en alleen voor deze ziel geeigend, lichaam voorhanden is. Alsof het niets betekent dat voor het opnemen van een orgaan het immuunsysteem zo onderdrukt moet worden, dat de lichamelijke identiteit opgeheven moet worden. Wat moet daar in eerste instantie vernietigd worden opdat de zielen onherroepelijk aan de materie gebonden, of juist losgemaakt worden? Tegen welke prijs wordt de zieke ervan overtuigd om zo verder te kunnen leven? Of wij horen dat genetisch gemanipuleerde maïs helpt om de milieuvervuiling te verminderen, omdat er minder pesticiden voor nodig zijn. Hoeveel onwaarachtigheid zit in een dergelijke boodschap besloten! Hetzelfde geldt voor de uitspraak, dat de nieuw ontwikkelde genetisch gemanipuleerde 'gouden rijst’ de mensen in Afrika aan meer vitamine A zou helpen, waardoor minder kinderen blind zullen worden. Afgezien van het leugenachtige en illusoire aspect, is het schokkende aan dergelijke berichten het ontbreken van enige vorm van zelfstandig denken. Wanneer men echter niet meer zelf denkt, wie of wat denkt dan in zulke (nieuws)berichten? Waar komt deze vorm van 'denken’ vandaan? Ondergang; dat is toch wel de gemeenschappelijke noemer van gebeurtenissen, die naast de 'geur’ van het beeldend voorstellingsvermogen, vandaag de dag de herinneringen aan Atlantis naar boven haalt. En juist uit dit verval van cultuur, de ruïnes waarop wij tegenwoordig al leven, duiken steeds meer Atlantisherinneringen op; als bloemen die uit de omgewoelde bodem ontspruiten. Collectieve en individuele herinneringen In 1997 verscheen in de VS een serieus boek van Shirley Andrews met
als titel ‘Atlantis. Insights from a lost Civilisation’(Vertaald
in NL, EB). In het voorwoord steekt zij van wal: “Als klein
meisje dacht ik vaak aan een land, dat Atlantis heette, en ik was ervan
overtuigd, dat het zich in de Atlantische Oceaan bevond. Uiteindelijk
konden volwassenen mij ervan overtuigen, dat dit niet klopte.”
Zij kon het echter maar niet uit haar hoofd zetten, en begon jarenlang
alles te bestuderen wat ze maar over Atlantis vinden kon. Tegenwoordig
is ze er vast van overtuigd, “dat ik waarschijnlijk in een
vorig leven in Atlantis mijn kennis en vaardigheden misbruikt heb om
macht te verwerven (..) Om het karma van dit misbruik op te lossen,
moet ik, zoals ik ondertussen meen, alles wat ik vandaag over de verworvenheden
van Atlantis weet, openbaar maken, in de hoop daarmee aan het verbeteren
van het leven op de huidige aarde een bijdrage te leveren.”
Wie het geluk heeft kleine kinderen te kunnen waarnemen, vallen de
overeenkomsten meteen op. In de peuterspeelzaal, met een oude omslagdoek
om de schouders en een kroon van bordkarton op het hoofd, voelt het
kind zich meteen een koning en de kroon is natuurlijk van het allerzuiverste
goud gemaakt. De magie maakt het mogelijk de vloer in een zeebodem om
te toveren en andere kinderen in tijgers en soldaten. Zo waren we ooit
allemaal. Atlantis in de mythologie De heimwee, de schoonheid en de magie, die horen toch eigenlijk bij elkaar. Dat kan men meer zintuiglijk aanschouwbaar ook ondervinden bij de beelden uit de steentijd, bijvoorbeeld de heilige tempelplekken zoals Stonehenge, maar ook de grottekeningen, die altijd zowel magie, superieure kennis en vaardigheden, alsook schoonheid en frisheid uitstralen. Ook in de mythen van de volkeren vinden wij over de hele wereld magische schoonheid en geborgenheid overgeleverd.
Zo staat bijvoorbeeld in de ‘Metamorfosen’ van Ovidius:
“En eeuwig was het lente. Bloemen, waar geen zaden bij te
pas waren gekomen, werden door de zachte lucht met een milde bries bewogen.
Snel schoten ook gewassen uit de omgeploegde aarde omhoog, en nooit
bewerkte akkers brachten gele halmen voort, beladen met volle aren.
Rivieren stroomden, rijk aan melk, velen zelfs met nectar en uit de
groene steeneik druppelde gouden honingwater.” Vanuit het standpunt van het geesteswetenschappelijk onderzoek schrijft
Rudolf Steiner over de Atlantische tijd: “Daar beschikte de
mens nog over een zekere magisch vermogen ten aanzien van de plantengroei.
Als hij zijn hand, die toen nog een geheel andere vorm had, over een
plant uitstrekte, dan was hij in staat deze tot snelle groei te brengen
door zijn wil aan te wenden.” Treffend heeft ook Sigismund von Gleich (‘Der Mensch der Eiszeit
und Atlantis’) de hoedanigheid van Atlantis beschreven: “In
het begin van de Atlantische tijd was de aarde nog jong; haar vormen
waren zeer zacht en plooibaar en veranderden veelvoudig; haar krachten
waren buitengewoon vruchtbaar in het scheppen van steeds weer nieuwe
natuurvormen. Maar snel trokken in haar die krachten in, die ook in
het menselijk lichaam het verouderingsproces in gang zetten en de mens
uiteindelijk doen sterven; deze zijn bij hem te zien in zenuwen, huid
en botten. Reeds zeer vroeg vormde zich een soort huidoppervlak op de
week-vloeibare aarde. Later verstarden delen van haar lichaam zich tot
een kraakbeen- en bottensysteem; het zijn de huidige bergketens. Als
laatste verkorsten deze tot hun huidige hardheid. Nu zijn ze reeds duizenden
jaren door verwering aan het verbrokkelen. De aarde is een grijsaard
geworden, die snel volledig ‘tot op het bot’ uitgemergeld
zal zijn.Dit verouderingsproces begon reeds in de Atlantische tijd.
Om zich nu de vitaliteit van de vroeg-Atlantische aarde voor te stellen,
is net zo zwaar als om zich een voorstelling te maken van een vrouw
in de bloei van haar leven, wanneer men haar nooit anders dan als een
hoogbejaarde dame heeft gekend.” Vervolg in het tweede deel. Voor algemene informatie over reïncarnatietherapie: www.reincarnatietherapie.nl Literatuurlijst: Erika Dühnfort: Ierse Helden, Heiligen en Druïden (Christofoor,
1994)
Ovidius: Metamorfosen Olga Kharitidi, Het Pad naar de Sjamaan (Bruna, 1996): Klik hier voor Zachariël-artikel Shirley Maclaine, Voettocht naar Santiago de Compostela,
(Forum, 2002) |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||