|
![]() |
| Zachariël> Artikel |
|
“De herinnering aan Rudolf Steiner behoorde voor mij tot de eerste ervaringen” In gesprek met Christiane Feuerstack Door Monika Neve Op 22 februari 2004 voerde Monika Neve, hoofdredacteur van het Duitse tijdschrift Lazarus, een gesprek met Christiane Feuerstack in Eckernförde over concrete karmakennis. Christiane Feuerstack werd in 1960 geboren als eerste van vier kinderen van Paul en Heide Oehms in Manderscheidt (in de Eifel). Ze deed de Euritmie-opleiding in Neurenberg (1978-1982), stond vervolgens op het podium, begeleidde euritmievoorstellingen op de piano en was lerares op Vrije Scholen. (In Duitsland en hieronder Waldorfscholen genoemd) In 1985 volgde de opleiding tot heileuritmiste in Stuttgart. In 1990 startte ze een eigen praktijk voor heileuritmie. In 1995 leerde ze de door Heide Oehms ontwikkelde methode voor karma-onderzoek kennen. Inmiddels werkt ze zelf op basis van deze methode met mensen die bij haar met vragen over karma komen. Christiane Feuerstack is getrouwd en heeft twee zonen. Ze woont en werkt in Eckernförde. Christiane Feuerstack: Je eerste vraag kan ik volmondig met ‘ja’ beantwoorden. In de loop van de afgelopen jaren heeft zich steeds duidelijker een rode draad met betrekking tot mijn ‘eigen geschiedenis’ uitgevormd. De vraag naar de werkelijke individualiteit was – tot aan mijn volwassenzijn- in ieder geval niet zo dringend. Het was voor mij eerder een vanzelfsprekend levensgevoel, dat ik eigenlijk meer ben dan mijn huidige lichaam. MN: Welke rol heeft daarbij het ouderlijk huis – je ouders zijn antroposofen- gespeeld? Heeft dat daarbij überhaupt een rol gespeeld? Of werden dergelijke vragen, “wie “is daar tot ons gekomen, wat heeft ons samengebracht, nooit aangeroerd of zo direct uitgesproken? CF:Toen mijn ouders de antroposofie leerden kennen, was ik 13 jaar oud. Tot dan toe was ik geheel katholiek opgevoed met alle voorstellingen van hemel en aarde die daarbij hoorden. Ik kan me nog precies herinneren welke nieuwigheid destijds de gedachte van herhaalde aardelevens voor mijn ouders was en hoe daarover bij ons aan tafel gediscussieerd werd. Ik dacht daarbij alleen maar: “Wat is daar zo opwindend aan? Dat wist ik toch altijd al!” Wat de karmische verbindingen in de familie zelf betreft, dat was destijds nog niet zo’n concrete vraag. Maar de gedachte dat men zijn ouders en familie zelf uitzoekt, leefde reeds als grondstemming bij mijn ouders en ook al bij ons, de kinderen. MN: Wanneer werd de vraag voor je van belang, welk verleden je met je meedraagt en welke opgaven en impulsen daarmee verbonden zijn? Pas door belevenissen, ervaringen waarin meer en meer het eigen karma zich toonde, of reeds daarvoor? CF: Reeds eerder en door de eigen belevenissen steeds meer. Ik ben zelf zeer vroeg begonnen, me met antroposofie bezig te houden. Met 15, 16 jaar trok ik heimelijk de Steinerboeken bij mijn ouders uit de kast en verslond ze. Achteraf gezien kan ik alleen maar zeggen, dat ik daardoor zeker vele antwoorden op vragen heb gekregen, die ik nog helemaal niet echt gesteld had. Ik kwam ook zeer vroeg met de karmavoordrachten en de mysteriedrama’s in aanraking. Daardoor doken dan reeds vragen naar de eigen individualiteit op. Niet zozeer de vraag “Wie was ik?”, maar meer de vraag naar de werkzaamheid van de karmische wetten met betrekking tot het huidige leven, vragen naar pijnlijke belevenissen, problematische menselijke betrekkingen, aangelegenheden, die vanuit het huidige leven niet verklaarbaar zijn, en natuurlijk naar vaardigheden en onkundes en de daaruit voortvloeiende opgaven. Waar komt dat alles vandaan? Bijvoorbeeld: als scholier viel me alles in de schoot. Ik had eigenlijk met geen enkel vak echt moeite, ook niet met wiskunde en latijn. Daar dook bij mij reeds een vermoeden op van: “Dat heb ik zeker weten allemaal vroeger al eens in een klooster geleerd.” MN: Hoe heb je beleefd, dat de vroegere aardelevens niet werkelijk voorbij zijn, maar vandaag nog echt als realiteit doorwerken? Ik zou me kunnen voorstellen, dat vele mensen menen dat ieder leven in het daaropvolgende leven door gebeurtenissen en ontmoetingen “door het lot” als vanzelf weer opgepikt wordt en vervolgens geen rol meer speelt. Dat wil zeggen: alleen in zoverre het verleden bij iemand vaardigheden voor het huidige leven gevormd heeft, is het iets om rekening mee te houden. “Belangrijk is niet, wie men geweest is of welke functie men (in een vorig leven) heeft bekleed, maar welke vaardigheden men zich eigen gemaakt heeft.”, zo las ik ooit ergens. – Wat is aan het verleden echt “verleden tijd” , wat is echter vandaag en wellicht in vele toekomstige incarnaties aanwezig, of kan pas veel later en onder andere ontwikkelingsomstandigheden weer opgepakt worden? CF: Karma is een buitengewoon gecompliceerde aangelegenheid, waarin
verleden, heden en toekomst voortdurend door elkaar heenlopen. Bij ieder
mens zijn er zeer individuele thema’s, die zich metamorfoseren,
omkeren of zich ook in verschillende ontwikkelingfasen kunnen herhalen.
Wat het andere punt betreft: dat karma vanzelf weer opgepakt wordt is
slechts ten dele juist. Natuurlijk raken we “geheel vanzelf”
in de hachelijke situaties , die een gevolg van vroegere nalatigheid
of misstappen zijn. Of we ook geheel vanzelf weer uit de moeilijke situatie
komen, is een andere vraag. En of we het ons in de huidige tijd nog
kunnen veroorloven, talloze rondjes te lopen en erop te wachten tot
alles vanzelf gaat, waag ik te betwijfelen. – In ieder geval glijden
problemen, die niet met behulp van het bewustzijn opgelost worden, dan
vaak in de lichamelijke constitutie. Dat is natuurlijk ook een mogelijkheid
ter verwerking, zij het een onbewuste, pijnlijke en vaak zeer tijdrovende
aangelegenheid. Uiteindelijk is het de beslissing van een ieder zelf
of hij de weg van het lijden of de weg van het inzicht wil gaan. MN: Kun je zelf enige tijden noemen waarvan je eigen aardenlevens bekend
zijn? MN: Je zegt dat je in de 20e eeuw ten tijde van Rudolf Steiner geïncarneerd was, dus ook in die eeuw kort na elkaar geïncarneerd bent. Nu wees Rudolf Steiner de antroposofen er immers op, dat zij – om bepaalde redenen- ertoe voorbestemd waren, reeds aan het einde van de 20e eeuw weer daar te zijn om in te grijpen in de cultuurontwikkeling. Samen met vele andere individuen, die toen nog niet geïncarneerd waren. Daaruit zou een grote beweging ontstaan, ter spiritualisering van de cultuur op alle levensgebieden, tot en met de technologische ontwikkeling! De antroposofische beweging van destijds was hiervoor slechts de voorbereiding. – Vanuit dit standpunt bezien: wat heeft je laatste aardeleven hiermee van doen? CF: Mijn huidige leven beleef ik als een rechtstreekse voortzetting van het voorgaande! Zowel met betrekking tot de interessen en vaardigheden – dus het directe oppakken van de antroposofie, het karma-onderzoek, de euritmie- , als ook met betrekking tot de ballast, die zich uit het niet-kunnen-oppakken van wat destijds noodzakelijk was gevormd heeft. Ik heb daar de beleving van een grootschalig collectief falen gehad, waaraan eigenlijk alle in de omgeving van Rudolf Steiner levende persoonlijkheden hun aandeel hadden. Want ondanks al het grootse, wat zeker ook gepresteerd is, kan men vanuit het huidige standpunt zeggen dat Rudolf Steiners eigenlijke missie niet begrepen is. MN: Wat bedoel je daarmee? CF: Het begrip voor karmische samenhangen was als voorbereiding voor
het verschijnen van Christus in de etherwereld noodzakelijk. En Rudolf
Steiner heeft immers herhaaldelijk daarvoor gewaarschuwd, dat deze belevenis
ook verslapen kon worden. Want de toegang tot de etherische Christus
vindt men immers vooral daardoor, dat men zich met eigen inspanning
bewust op hem richt. Men moet het willen, om de –zoals Rudolf
Steiner zei- “heer van het Karma” om genade en verlossing
van de oude verstrikkingen te vragen, nadat men zich deze eerst bewust
gemaakt heeft! De kansen en mogelijkheden voor vrijwording en innerlijke
genezing, die wij in de laatste decennia en in toenemende mate de afgelopen
jaren geschonken hebben gekregen, zullen misschien niet zo snel weerkeren.
Voor hen, die nu niet wakker zijn, kan het wellicht nog wel even duren
voordat zich weer vergelijkbare mogleijkheden voordoen. MN: En je bedoelt, dat hebben de mensen toen niet zo begrepen, en het geldt in zekere zin nu nog steeds? CF: Ja. Ik kon in de terugblik beleven, wat voor een enorme pijn het voor Rudolf Steiner betekende, dat de mensen simpelweg geslapen hebben en niet rijp waren, de spirituele impulsen werkelijk op te pakken. Voor mij was het verschrikkelijk verpletterend, om mij zo onverbiddelijk met de gevolgen van het toenmalige falen geconfronteerd te zien. Dat gebeurde bovendien nog op dezelfde plek, namelijk op de eerste, in 1919 in Stuttgart gegrondvestte Waldorfschool (de allereerste Vrije School ter wereld dus: de ‘oerschool’ (vertaler)). Destijds als lerares, in dit leven als moeder – de gehele problematiek meer van buitenaf belevend. MN: Je man Markus was 15 jaar geleden betrokken bij de start en de inrichting van een archief over de eerste Waldorfschool. Had dat destijds je bijzondere interesse? Heeft het je geholpen, opdat je enige tijd later door tastbare feiten je eigen ervaringen kon verifiëren? CF: Markus heeft immers niet alleen het archief bewerkt, maar zich
ook reeds lange tijd daarvoor intensief met de geschiedenis van de anthroposofische
vereniging uiteengezet en een omvangrijke bibliotheek met betrekking
tot dit thema bezeten. – Ik ben door hem zeker veel te weten gekomen,
waarvoor ik van mezelf uit weinig interesse had. Tot dan toe had ik
me meer met Steiner zelf bezig gehouden, niet met de problematiek van
zijn omgeving en de tijd na zijn dood. MN: Wanneer men namen concreet benoemd, zet het kwaad bloed, wanneer men ze niet noemt, krijg je soortgelijke geruchten. Of je nu links- of rechtsom gaat, aan mogelijke kwaadwillendheid valt niet te ontkomen. Natuurlijk zijn er werkelijk zeer goede redenen te noemen om bij het vertellen van inzichten omtrent het eigen verleden in kleinere of grotere kring niet de naam toe te voegen, of deze nu onbekend is of – wellicht binnen zeer kleine kringen – bekend. Maar men zou moeten nagaan, denk ik, of het vandaag niet aan de tijd is, hierover – als je het voor jezelf kunt verantwoorden- opener te zijn. Zelfs als binnen de Vrije School beweging de namen van het complete lerarencollege van de eerste Waldorfschool bekend zouden zijn (wat ik betwijfel), dan zal niet snel iemand optreden die nu zal beweren bijzondere drang te voelen deze gereïncarneerde leerkracht te zijn. Het lijkt me in dit geval een relatief ‘ongevaarlijke situatie’. Het zou me verheugen en ik zou werkelijk dankbaar zijn, wanneer je de naam zou kunnen uitspreken, die je op basis van je karmakennis in het vorig leven gehad hebt. CF: Nou, als je het zo direct vraagt: Clara Michels. Ik kan me haast
niet voorstellen, dat iemand deze naam überhaupt iets zegt en het
zou me verbazen wanneer iemand anders nog meent, deze persoon geweest
te zijn. Natuurlijk “irrt der Mensch, solang er strebt”.
MN: Ik dank je voor de gedachte dat de angst voor het zich vergissen de eigenlijke hindernis is om zichzelf ter discussie te kunnen stellen. Wanneer ik het goed begrijp, verhindert deze – waarschijnlijk helemaal niet onderkende- angst feitelijk, dat men zijn inzichten met anderen, die over hetzelfde onderwerp andere inzichten vonden, in een werkgesprek brengt. Als dat zou veranderen, zouden geesteswetenschappelijke onderzoeken ook meer en meer uit het ‘verkondigingskarakter’ komen. Hoe heb je in het geval van Clara Michels ‘uiterlijk’ datgene nagecheckt, wat je geestelijk had uitgezocht? CF: In dit geval heb ik bijvoorbeeld de geboorte- en stervenshoroscoop
door een ervaren astrologe laten vergelijken met mijn eigen geboortehoroscoop.
Zij had, zonder te weten waarom het ging, op grond van deze analyse
tamelijk exact de in het toenmalige leven ontwikkelde problematiek,
die met mijn herinneringen overeenkomt, geschetst en de betreffende
thema’s in getransformeerde vorm in mijn huidige horoscoop gevonden.
– Bovendien kan door de vergelijking van de stervenshoroscoop
van een vroeger leven met de geboortehoroscoop van het daaropvolgende
leven altijd gesteld worden of op grond daarvan een samenhang uitgesloten
is of niet. – Door zulke controles kan men weliswaar niet vaststellen
of men het bij het rechte eind heeft bij de vermoedens omtrent incarnaties,
maar ze kunnen – samen met andere positieve aanwijzingen en in
de totale context van reeds erkende vroegere incarnaties- tot een ervaarbare
zekerheid voeren. MN: Welke indrukken van je vorige incarnatie staan je nog voor de geest? – Zijn in deze karmische terugblik ook ontmoetingen met Rudolf Steiner aanwezig? – Hoe heb je de essentie van dit leven in de terugblik beleefd? CF: De herinnering aan de ontmoeting met Rudolf Steiner behoorde voor
mij tot de eerste ervaringen op dit gebied en kwam voor mij als een
volslagen verrassing, maar met een schokkende duidelijkheid. Normaal
gesproken heb ik bij de herinneringsbeelden eerder bleke of onduidelijke
indrukken, maar Rudolf Steiner stond bijna fysiek voor me. Hij was ongelofelijk
ernstig en sprak met grote zorg over de toestanden binnen de vereniging.
De scene vond plaats in Dornach in de buitenlucht, met een kleine groep
mensen die elkaar daar waarschijnlijk toevallig getroffen hadden. Het
eerste Goetheanum was er nog. MN: Dat in de eerste reïncarnatieherinnering de ontmoeting met Rudolf Steiner in bedrukte atmosfeer werd beleefd, verbaasd me nogal, aangezien je er toch van mag uitgaan dat er ook ontmoetingen met Steiner geweest moeten zijn die met veel enthousiasme gepaard gingen. CF: Deze eerste taferelen heb ik misschien ook daarom als zo bedrukkend
beleefd, omdat zich vlak daarvoor een beeld getoond had van een incarnatie,
die in een verschrikkelijke ziekenhuisatmosfeer plaatsvond en korte
tijd later weer ten einde kwam. Ik beleefde mij buiten dit ongeboren
lichaam, wist echter tegelijkertijd, dat deze baby, waar omheen vele
artsen in bedrukte stemming stonden, mijn lichaam was. Het moest duidelijk
misvormd zijn geweest en nauwelijks overlevingskansen hebben gehad.
Toen de artsen de moeder, die nog op een bevallingsstoel zat, dat mededeelden,
schreeuwde ze het uit en wilde het kind geheel niet zien. Men heeft
het toen eenvoudigweg laten sterven. Dat moet niet lang voor mijn huidige
geboorte zijn geweest. Op de vraag naar de oorzaak voor deze misvormingen
dook dan de eerstgenoemde scene met Rudolf Steiner op. Je kan je voorstellen
dat me dat verschrikkelijk raakte, temeer daar ik destijds nog zeer
onvolmaakte voorstellingen van de karmische wetmatigheden had en me
schuldig en bestraft voelde. MN: Wellicht moet men op deze plaats het begrip van de egregor, respectievelijk de groepsdubbelganger, aan de lezer verduidelijken door te verwijzen naar het artikel van Heide Oehms in Lazarus nummer 2-2003 : “Gedanken zur Zeit mit Hinblick auf frühere Inkarnationen und den karmischen Doppelgänger.” (Gedachten anno nu bij de terugblik op vroegere incarnaties en de karmische dubbelganger) Daar verwees zij naar een beeld, hoe ze een dergelijke egregor in een bepaalde kring van mensen met het geestelijk oog had waargenomen. En ook Harrie Salman behandelde het thema reeds jaren geleden:”Der Kampf um die anthroposohie- Zum Phänomen des Gruppendoppelgängers.” (De strijd om de antroposofie- Het fenomeen van de groepsdubbelganger) (Lazarus nr. 2-1997) Maar nu nog maar eens de vraag, wat na dit leven van Clara Michels gebeurd is en wat voor jouw de essentie hiervan was? CF: Met deze vraag heb ik me toch pas op een later tijdstip bezig gehouden.
Ik had enkel fragmentarische, merkwaardige indrukken. Aanvankelijk beleefde
ik na de dood van Clara Michels de aanval van een donker wezen, dat
als een bom in mij sloeg, waarna een shockachtige verlammingstoestand
intrad en uiteindelijk – als door een nevel- in de verre verte
een beeld van de Waldorfschool en toen de bliksemachtige gedachte: “Ik
moet daar weer heen!” Verder niets. Geen terugblik, geen stapsgewijs
terugbeleven, zoals men zich dat zo voorstelt of van andere levens kent.
Meteen daarop vond een zeer snel losmaken van de aarde plaats: direct
naar de school van Michael en snel weer terug naar de aarde! MN: Dus zoals er een gemeenschapsengel van een groep van samenwerkende mensen kan zijn, kan zich ook een groepsdubbelganger ontwikkelen. En dit werkt dan als realiteit - des te meer, wanneer men daartoe de ogen sluit. Ken je nog mensen uit je vorige incarnatie -dit wanneer we even afzien van deze korte tussenliggende aardeverbinding- die ook nu weer geïncarneerd zijn. En zo ja, heb je het gevoel, dat met hen een samenwerking mogelijk is, zoals Rudolf Steiner in zekere zin voorspeld dan wel verwacht heeft? CF: Ik zou het graag eens zo zeggen: ik ken enkele mensen die vaak vergelijkbare problemen meemaken als ik. Rudolf Steiner’s voorspelling zorgt altijd nog voor enige verwarring onder de huidige antroposofen, omdat deze tot nu toe in elk geval niet in deze vorm niet aangetroffen lijkt te worden. Het eerste, wat vanuit mijn gezichtspunt aan deze overgeleverde uitspraak aanvullend gecorrigeerd zou moeten worden, is de aanname, dat het een privilege van de toenmalige antroposofen en een bijzondere uitzondering op de karmawet zou zijn, om zich zo snel weer te incarneren. Vanuit het gezichtspunt van de vandaag de dag ter beschikking liggende ervaringen geldt deze versnelling van de eigen ontwikkeling echter voor bijna alle mensen in onze zich eveneens razendsnel ontwikkelende tijd. De tweede aanvullende correctie hierop heeft Rudolf Steiner zich bij mijn weten voor zijn dood zelf voorgenomen. Hij zou toen in een gesprek met Ita Wegman gezegd hebben dat de antroposofen, als ze dan weer zouden komen aan het einde van de 20e eeuw, waarschijnlijk eerst met de verwerking van hun eigen karma bezig zouden zijn. Dat wil dus zeggen: eerst maar eens het huiswerk maken, voordat men in de volgende klas wil komen! Een grote beweging naar buiten toe zie ik op het moment niet. Dat zou
ook niet zonder meer wenselijk zijn: men heeft reeds destijds naar buiten
toe teveel hooi op de vork genomen en daarbij het innerlijke werk veronachtzaamd.
Nu zou eerder het inzicht passend zijn, dat men de wereld niet kan verbeteren
voordat men zichzelf verbeterd. En met betrekking tot de vraag naar
samenwerking nog dit: samenwerking met weer geïncarneerde antroposofen
vindt in mijn leven reeds plaats, maar eerder in de zin van bewustwording,
verwerking en het in stilte verder ontwikkelen. En weliswaar niet het
theoretisch ontwikkelen, maar het praktische doen, in het dagelijkse
leven, in de directe omgeving. In de poging, om datgene wat men begrepen
heeft, ook werkelijk te leven. – Het kan toch niet meer daarom
gaan, steeds meer weten op te stapelen of altijd weer Steiner-boeken
te herkauwen, maar om antroposofie werkelijk te leven, het wakker worden
aan andere mensen – de omgekeerde cultus- in praktijk te brengen,
geestelijke en karmische werkelijkheden daarbij te betrekken, en bovenal
zichzelf te veranderen en een verbinding met de etherische Christus
te creëren. Dat gaat echter alleen met afzonderlijke mensen die
daartoe bereid zijn. Dat laat zich niet institutionaliseren. Ook niet
in de huidige antroposofische instituties, waar men het toch altijd
nog met machtspelletjes, gewichtigdoenerij en geldingsdrang van doen
heeft en de ‘clerus fractie’ nog altijd niet op kan houden
met ‘inquisitie-spelletjes’. MN: Steiner sprak er in zijn laatste jaren over dat de antroposofen van de eerste generatie alleen de ‘voorbereiders’ zouden zijn voor datgene, wat dan als spiritualiteit ook andere, nog niet geïncarneerde individuen mee zouden brengen. In de kern heb je deze vraag eigenlijk door het zojuist gezegde beantwoord. Echter toch nog even heel direct: Heb je de indruk dat de door Steiner als noodzakelijk voor de aardecultuur geachte ‘culminatie’ van de spirituele impuls plaatsgevonden heeft, of heb je eerder de indruk van een spirituele neergang, gemeten naar wat in de eerste decennia als aanzet gegeven is? CF: Puur uiterlijk gezien is er een culminatie in de zin van de uitbreiding
van de antroposofische impuls in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw
geweest. Vele Waldorfscholen werden opgericht, euritmie-opleidingen
gesticht, etcetera. Maar dat is reeds lang voorbij en had ook alleen
betrekking op de verbreiding van de zogenaamde dochterbewegingen, zonder
dat tegelijkertijd de spirituele impuls vernieuwd of verdiept is. Natuurlijk
betekent dat niet, dat er niet ook veel goed werk is verricht, maar
gemeten naar hetgeen eigenlijk de bedoeling was, kan men vandaag welzeker
van een neergang spreken, - ook puur uiterlijk gezien. MN: Hoe bedoel je dat? CF: Puur uiterlijk gezien had veel zich verder ontwikkeld en was perfecter
geworden. Maar de spirituele impuls was in het beste geval alleen nog
in theorie daar. -Ik ben tamelijk jong, op m’n 18e, met de opleiding
begonnen en kon mijn ontevredenheid niet zo goed verwoorden. Ik wist
alleen dat er iets miste. Op m’n 20e had ik dan een soort sleutelbelevenis.
Ik had toen in Järna aan een bijeenkomst van de jeugdsectie deelgenomen
en me ingeschreven voor een euritmie-workshop. Het ging over het ‘beleven
van het etherische in de kunst’. Daar heb ik voor de eerste keer
een vermoeden gekregen, waarom het eigenlijk gaat. In de opleiding werden
deze kwaliteiten niet aan ons overgedragen. Daar werd vanuit de traditie
nagebootst en werden meer of minder vastgelegde bewegingspatronen ingestudeerd.
Ik heb me in toenemende mate afgevraagd, wat dat eigenlijk allemaal
te betekenen heeft en waarom ik daar eigenlijk ‘rondhuppelde’. MN: Over welke verwachting heb je het? CF: Bijvoorbeeld de bewuste arbeid aan het eigen karma. Dit had een
van de meest wezenlijke opgaven van de leden moeten wezen. Maar tot
op de dag van vandaag is dit een taboe-onderwerp! Rudolf Steiner heeft
meerdere pogingen ondernomen om de noodzaak van concreet karmaonderzoek
duidelijk te maken: Tegenwoordig kan je zeggen dat de vaardigheden waar Steiner over gesproken heeft er daadwerkelijk zijn, dat methoden voor bewustwording en verwerking van vorige levens ontwikkeld zijn, wereldwijd. – Het minst echter bij de antroposofen zelf. De geestelijke wereld zoekt nu eenmaal andere wegen, wanneer er één afgesneden wordt. Ook andere dingen, die Steiner voorspelt heeft zijn er: spirituele impulsen op alle levensgebieden tot en met de technologische ontwikkeling. Daar is in de laatste jaren toch buitengewoon veel gebeurd. Antroposofen lijken deze ontwikkeling te verslapen of er wat arrogant om te lachen of eenvoudigweg alleen maar af te keuren. Bij mij komt bij de restanten van de antroposofische vereniging het beeld op van een verdroogde stengel van een paardebloem. Er omheen zijn echter vele andere paardebloemen opgekomen! MN: Welke consequenties voor je verdere werk hebben al deze inzichten voor je? CF: Tja, daar is de laatste jaren veel voor mij veranderd.. Ik stond aanvankelijk na mijn ervaring ten tijde van Rudolf Steiner voor een groot raadsel, voor de vraag naar de opgave, de consequentie van het toenmalige falen. Valt nalatigheid eenvoudigweg goed te maken? Of heeft ook niet iedere tijd zijn geheel eigen opgaven, die men wederom ook niet moet verzaken door puur op het achteraf in orde brengen van de verzuimde opgaven te gaan zitten? – Is werken binnen de antroposofische instellingen mogelijk en nodig? Of gaat men liever in stilte andere wegen? Ik stond hierover in een grote tweestrijd. Deze tweestrijd was evenwel reeds de voortzetting van de innerlijke tweestrijd in het vorige leven, waar vanuit ik mij in een innerlijk toevluchtsoord teruggetrokken had. MN: Waaruit bestond deze tweestrijd? CF: Die bestond eruit, de eigen integriteit niet te kunnen leven binnen de gemeenschap, zich echter niet uit de gemeenschap los te kunnen maken. Daar was machteloze woede over onrecht, over aanspraken die niet waar gemaakt werden. Daar was de dwang, óf zich aan te passen en mee te doen óf te gaan. Dat zou echter het verlies aan zekerheid en geborgenheid hebben betekent. MN: Dit persoonlijk beleefde en -zoals je reeds beschrijft- zelfs voor de gemeenschap mede op je genomen falen is toch iets volkomen actueels, wat het ergste toch in de nazitijd, die je zelf meebeleefd hebt, echter verborgen en niet minder schadelijk in zovele werk- en samenlevingsverbanden ook vandaag plaatsvindt. Ik denk dat van jouw ervaringen – in de consequenties boven het ene leven uitstijgend – vele anderen iets kunnen leren! CF: Nu ja, destijds leek mij geen andere keus te resten dan daar te blijven, in de Waldorfschool, en alles te slikken wat zich daar afspeelde. Daar leek mij enkel nog ‘de innerlijke emigratie’ te geven en zich buiten alle strijd te houden. Dat was echter een onwaarachtige situatie. Dit zwakke, dus mijn persoonlijke karmische patroon, dat voor mij tot deze last geleid heeft, betekende: zich uit louter harmoniebehoefte aan te passen en zwijgend het onrecht en de wandaden aan te zien, daardoor echter zich zelf en het eigen geweten niet te kunnen leven! MN: Heb je wel eens daarover nagedacht, waarom je lot je in een dergelijke situatie gevoerd heeft, waar had je moed moeten tonen, om als mens integer te kunnen leven? CF: Ja. En ik kwam erop, dat dit patroon bij mij reeds oeroud is en dringend aan verandering toe. Zo beleefde ik de werkingen van het verleden op het latere leven. En door dit met bewustzijn nu aan te gaan kan deze zwakheid nu hopelijk eindelijk overwonnen worden. Want ze wortelde in angsten die in vroegere incarnaties zijn ontstaan, waar het uitspreken van de waarheid mij in gevaarlijke situaties deed belanden, die vervolging en vlucht tot gevolg hadden. Dat was weer het gevolg van nog vroegere patronen, waar ik zelf niet in de omgeving wilde zijn, waarin het lot me had geplaatst. Dat is een thema, dat je in veel van mijn verhalen in een bepaalde vorm weervindt. (zie eindnoot) MN: Kun je een concreet voorbeeld beschrijven? CF: Ik had bijvoorbeeld in de 10e eeuw na Christus een incarnatie in
een Mongools ruitervolk gevonden, nadat ik reeds in vroegere levens
de Christus-impuls opgenomen had. Het leven in dit volk bestond onder
andere uit rooftochten, waar men bepaald niet kleinzielig met het leven
van andere mensen omging. Toen dan de aanvoerder, wiens zoon ik was,
zelf in een dergelijke strijd om het leven kwam, heeft mij dat wakker
geschud. Ik wilde dergelijke rooftochten niet meer ondernemen. Dat werd
echter vanzelfsprekend van mij, als opvolger, verwacht. Aangezien ik
mijn gewetensbezwaren niet kon formuleren en ook geen alternatieven
te bieden had, überhaupt alleen stond met mijn bevindingen, was
het resultaat, dat ik afgezet en verdreven werd. – Ik ben in een
boedhistisch klooster beland, waar ik weliswaar een voor mijn eigen
ontwikkeling passender omgeving vond, maar nu eenmaal niet in de met
mij verwante omgeving kon werken. – Dergelijke belevenissen veroorzaken
natuurlijk angsten en remmingen. En men ontwikkelt dan ‘vermijdingsstragieën’
, om niet telkens weer dezelfde pijnlijke belevenissen te hebben. Hoewel het voor mij op dit tijdstip geheel verrassend kwam, had ik
korte tijd later het gevoel, dat dat alles compleet in orde is en nu
eindelijk een zware last van mij afvalt! Dat ging verbazingwekkend snel,
dat ik alles los kon laten, zonder wrok en verbittering, zonder resignatie
of frustratie dat ik niet begrepen ben. Integendeel: Eerder met opluchting
en vreugde daarover, dat de jarenlang ondervonden belasting bijna in
een flits van mij afgenomen werd. Ik kon ook accepteren, dat mijn werkzaamheid
zich mogelijkerwijs naar een geheel ander vlak verplaatst heeft dan
ik mezelf aanvankelijk had voorgesteld. De grootste verworvenheid was
echter het breken van mijn innerlijke ketenen en het vasthouden en niet
uit willen wijken. Nu voel ik mij geheel vrij, als een vlinder, die
net de cocon verlaten heeft en die er zeker niet weer in wil –omdat
zoiets ook simpelweg niet meer kan. MN: En ik dank je zeer voor de moed, zonder er omheen te draaien ook de naam te durven noemen. Des te meer omdat ik weet, wat voor overwinning daar eigenlijk voor nodig is. Bedankt!
Naschrift
(De informatie komt uit het boek: “De lerarenkring rond Rudolf
Steiner in de eerste Waldorfschool”, uitgeverij Freies Geistesleben,
Stuttgart 1979)
1. Zie ‘Ken je karma. Karma inzicht en zelfontwikkeling’
Heide Oehms,Uitgeverij Vrij Geestesleven, Zeist, 2000 (De uitgeverij
ging failliet, maar het boek is via iedere boekhandel te bestellen dmv
het ISBN-nummer (ISBN 90 6038 470 9) of direct bij de Amsterdamse
boekhandel 'de Zaailing'. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||