Zachariël> Artikel    
 

   
   
   
 
   
   
 


Over Zachariël


Artikelen


Contact


   
 


Links


 

 


   
   
 
Op alle artikelen op deze website rust auteursrecht.
Overname zonder toestemming is verboden
   
 
Copyright publications.
Publication without permission not allowed.
   
   
 
Logo by
Floor Bos en Edwin Schild.

 

 

“De herinnering aan Rudolf Steiner behoorde voor mij tot de eerste ervaringen”

In gesprek met Christiane Feuerstack

Door Monika Neve

Op 22 februari 2004 voerde Monika Neve, hoofdredacteur van het Duitse tijdschrift Lazarus, een gesprek met Christiane Feuerstack in Eckernförde over concrete karmakennis. Christiane Feuerstack werd in 1960 geboren als eerste van vier kinderen van Paul en Heide Oehms in Manderscheidt (in de Eifel). Ze deed de Euritmie-opleiding in Neurenberg (1978-1982), stond vervolgens op het podium, begeleidde euritmievoorstellingen op de piano en was lerares op Vrije Scholen. (In Duitsland en hieronder Waldorfscholen genoemd) In 1985 volgde de opleiding tot heileuritmiste in Stuttgart. In 1990 startte ze een eigen praktijk voor heileuritmie. In 1995 leerde ze de door Heide Oehms ontwikkelde methode voor karma-onderzoek kennen. Inmiddels werkt ze zelf op basis van deze methode met mensen die bij haar met vragen over karma komen. Christiane Feuerstack is getrouwd en heeft twee zonen. Ze woont en werkt in Eckernförde.


Monika Neve: In veel antroposofische bladen en voordrachten hoort men tot op de dag van vandaag uiteenzettingen omtrent herhaalde aardelevens op een zodanige wijze, dat je niet aan de indruk ontkomt dat de betreffende schrijver of spreker de materie puur theoretisch behandelt. –Christiane, je hebt niet alleen puur theoretisch kennis kunnen verzamelen, maar ook vanuit de praktijk ervaringen kunnen opdoen. Meerdere daarvan gingen over enkele van je eigen incarnaties. Heeft zich door het steeds meer leren kennen van je eigen ‘geschiedenis’ een bepaald ‘zelf’-bewustzijn kunnen uitkristalliseren? En wanneer kwam de vraag in je op dat je meer bent dan datgene, wat vererving en omgeving over jezelf kunnen zeggen? Of was dat tot aan het volwassen zijn voor jou nooit een vraag?

Christiane Feuerstack: Je eerste vraag kan ik volmondig met ‘ja’ beantwoorden. In de loop van de afgelopen jaren heeft zich steeds duidelijker een rode draad met betrekking tot mijn ‘eigen geschiedenis’ uitgevormd. De vraag naar de werkelijke individualiteit was – tot aan mijn volwassenzijn- in ieder geval niet zo dringend. Het was voor mij eerder een vanzelfsprekend levensgevoel, dat ik eigenlijk meer ben dan mijn huidige lichaam.

MN: Welke rol heeft daarbij het ouderlijk huis – je ouders zijn antroposofen- gespeeld? Heeft dat daarbij überhaupt een rol gespeeld? Of werden dergelijke vragen, “wie “is daar tot ons gekomen, wat heeft ons samengebracht, nooit aangeroerd of zo direct uitgesproken?

CF:Toen mijn ouders de antroposofie leerden kennen, was ik 13 jaar oud. Tot dan toe was ik geheel katholiek opgevoed met alle voorstellingen van hemel en aarde die daarbij hoorden. Ik kan me nog precies herinneren welke nieuwigheid destijds de gedachte van herhaalde aardelevens voor mijn ouders was en hoe daarover bij ons aan tafel gediscussieerd werd. Ik dacht daarbij alleen maar: “Wat is daar zo opwindend aan? Dat wist ik toch altijd al!” Wat de karmische verbindingen in de familie zelf betreft, dat was destijds nog niet zo’n concrete vraag. Maar de gedachte dat men zijn ouders en familie zelf uitzoekt, leefde reeds als grondstemming bij mijn ouders en ook al bij ons, de kinderen.

MN: Wanneer werd de vraag voor je van belang, welk verleden je met je meedraagt en welke opgaven en impulsen daarmee verbonden zijn? Pas door belevenissen, ervaringen waarin meer en meer het eigen karma zich toonde, of reeds daarvoor?

CF: Reeds eerder en door de eigen belevenissen steeds meer. Ik ben zelf zeer vroeg begonnen, me met antroposofie bezig te houden. Met 15, 16 jaar trok ik heimelijk de Steinerboeken bij mijn ouders uit de kast en verslond ze. Achteraf gezien kan ik alleen maar zeggen, dat ik daardoor zeker vele antwoorden op vragen heb gekregen, die ik nog helemaal niet echt gesteld had. Ik kwam ook zeer vroeg met de karmavoordrachten en de mysteriedrama’s in aanraking. Daardoor doken dan reeds vragen naar de eigen individualiteit op. Niet zozeer de vraag “Wie was ik?”, maar meer de vraag naar de werkzaamheid van de karmische wetten met betrekking tot het huidige leven, vragen naar pijnlijke belevenissen, problematische menselijke betrekkingen, aangelegenheden, die vanuit het huidige leven niet verklaarbaar zijn, en natuurlijk naar vaardigheden en onkundes en de daaruit voortvloeiende opgaven. Waar komt dat alles vandaan? Bijvoorbeeld: als scholier viel me alles in de schoot. Ik had eigenlijk met geen enkel vak echt moeite, ook niet met wiskunde en latijn. Daar dook bij mij reeds een vermoeden op van: “Dat heb ik zeker weten allemaal vroeger al eens in een klooster geleerd.”


Christiane Feuerstack


Op een gegeven moment vond ik het allemaal vreselijk saai. Ik wilde eindelijk eens wat leren, iets wat ik nog niet kon. Toen werd ook de vraag actueel: “Welke opgave heb ik in het leven?” Op mijn 16e dook dan totaal onverwacht en heftig de wens op om euritmie te willen studeren. Dat was destijds voor mijzelf een verrassing. Op dezelfde leeftijd las ik ‘Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden’ en wist meteen dat ik deze weg hoe dan ook moest gaan. Dat was bijna een dwangmatige voorstelling, dat ik anders iets verzuimen zou, het was als een verplichting.

MN: Hoe heb je beleefd, dat de vroegere aardelevens niet werkelijk voorbij zijn, maar vandaag nog echt als realiteit doorwerken? Ik zou me kunnen voorstellen, dat vele mensen menen dat ieder leven in het daaropvolgende leven door gebeurtenissen en ontmoetingen “door het lot” als vanzelf weer opgepikt wordt en vervolgens geen rol meer speelt. Dat wil zeggen: alleen in zoverre het verleden bij iemand vaardigheden voor het huidige leven gevormd heeft, is het iets om rekening mee te houden. “Belangrijk is niet, wie men geweest is of welke functie men (in een vorig leven) heeft bekleed, maar welke vaardigheden men zich eigen gemaakt heeft.”, zo las ik ooit ergens. – Wat is aan het verleden echt “verleden tijd” , wat is echter vandaag en wellicht in vele toekomstige incarnaties aanwezig, of kan pas veel later en onder andere ontwikkelingsomstandigheden weer opgepakt worden?

CF: Karma is een buitengewoon gecompliceerde aangelegenheid, waarin verleden, heden en toekomst voortdurend door elkaar heenlopen. Bij ieder mens zijn er zeer individuele thema’s, die zich metamorfoseren, omkeren of zich ook in verschillende ontwikkelingfasen kunnen herhalen. Wat het andere punt betreft: dat karma vanzelf weer opgepakt wordt is slechts ten dele juist. Natuurlijk raken we “geheel vanzelf” in de hachelijke situaties , die een gevolg van vroegere nalatigheid of misstappen zijn. Of we ook geheel vanzelf weer uit de moeilijke situatie komen, is een andere vraag. En of we het ons in de huidige tijd nog kunnen veroorloven, talloze rondjes te lopen en erop te wachten tot alles vanzelf gaat, waag ik te betwijfelen. – In ieder geval glijden problemen, die niet met behulp van het bewustzijn opgelost worden, dan vaak in de lichamelijke constitutie. Dat is natuurlijk ook een mogelijkheid ter verwerking, zij het een onbewuste, pijnlijke en vaak zeer tijdrovende aangelegenheid. Uiteindelijk is het de beslissing van een ieder zelf of hij de weg van het lijden of de weg van het inzicht wil gaan.
Ik ben ervan overtuigd, dat het voor de huidige mensheid, die immers als geheel over de drempel is gegaan, steeds meer noodzakelijk wordt zich van haar verleden bewust te worden en de ballast, de hindernissen, die men zelf veroorzaakt heeft, te erkennen en om te vormen. Zolang de onbewust gebleven – verdrongen, traumatische- aspecten van ons verleden ons steeds weer als het ware dwangmatig in situaties brengen die wij geheel niet willen, zijn we ook niet vrij om onze toekomst zelf vorm te kunnen geven. Het onverwerkte verleden zal zich net zo lang op ongewenste momenten kenbaar maken, totdat de problematische aspecten bewust gemaakt, verlost en genezen worden.
Ten aanzien van het aangevoerde punt, dat het niet belangrijk zou zijn, “welke functie men heeft bekleed” respectievelijk “wie men geweest zou zijn”, kan ik enkel zeggen: dat is in zoverre van belang, of men de met deze functie verbonden opgave vervuld heeft of dat men misschien door het niet vervullen hiervan een grote last op zich geladen heeft. Voor menig koning in de wereldgeschiedenis ware het wellicht beter, enkel de schoenpoetser te zijn geweest.

MN: Kun je zelf enige tijden noemen waarvan je eigen aardenlevens bekend zijn?
CF: Vanaf ongeveer de 8e/9e eeuw na Christus is mij nagenoeg van iedere eeuw een incarnatie bekend. Ook de ‘rode draad’, de ontwikkeling van de ene incarnatie naar de andere- met inbegrip van de terugblikbelevenissen in de periode na de dood- is voor deze tijdspanne tamelijk duidelijk, tot in de 20e eeuw, in de tijd van Rudolf Steiner. Voor de tijd daarvoor zijn de afstanden tussen de mij bekende incarnaties duidelijk groter. Daar wordt ook de precieze tijdrekening moeilijker. – Vooral de herinneringsbeelden uit prehistorische tijden, atlantische of nog vroegere toestanden zijn voor mij nauwelijks exact in te delen.


Christiane Feuerstack en Monika Neve in gesprek

MN: Je zegt dat je in de 20e eeuw ten tijde van Rudolf Steiner geïncarneerd was, dus ook in die eeuw kort na elkaar geïncarneerd bent. Nu wees Rudolf Steiner de antroposofen er immers op, dat zij – om bepaalde redenen- ertoe voorbestemd waren, reeds aan het einde van de 20e eeuw weer daar te zijn om in te grijpen in de cultuurontwikkeling. Samen met vele andere individuen, die toen nog niet geïncarneerd waren. Daaruit zou een grote beweging ontstaan, ter spiritualisering van de cultuur op alle levensgebieden, tot en met de technologische ontwikkeling! De antroposofische beweging van destijds was hiervoor slechts de voorbereiding. – Vanuit dit standpunt bezien: wat heeft je laatste aardeleven hiermee van doen?

CF: Mijn huidige leven beleef ik als een rechtstreekse voortzetting van het voorgaande! Zowel met betrekking tot de interessen en vaardigheden – dus het directe oppakken van de antroposofie, het karma-onderzoek, de euritmie- , als ook met betrekking tot de ballast, die zich uit het niet-kunnen-oppakken van wat destijds noodzakelijk was gevormd heeft. Ik heb daar de beleving van een grootschalig collectief falen gehad, waaraan eigenlijk alle in de omgeving van Rudolf Steiner levende persoonlijkheden hun aandeel hadden. Want ondanks al het grootse, wat zeker ook gepresteerd is, kan men vanuit het huidige standpunt zeggen dat Rudolf Steiners eigenlijke missie niet begrepen is.

MN: Wat bedoel je daarmee?

CF: Het begrip voor karmische samenhangen was als voorbereiding voor het verschijnen van Christus in de etherwereld noodzakelijk. En Rudolf Steiner heeft immers herhaaldelijk daarvoor gewaarschuwd, dat deze belevenis ook verslapen kon worden. Want de toegang tot de etherische Christus vindt men immers vooral daardoor, dat men zich met eigen inspanning bewust op hem richt. Men moet het willen, om de –zoals Rudolf Steiner zei- “heer van het Karma” om genade en verlossing van de oude verstrikkingen te vragen, nadat men zich deze eerst bewust gemaakt heeft! De kansen en mogelijkheden voor vrijwording en innerlijke genezing, die wij in de laatste decennia en in toenemende mate de afgelopen jaren geschonken hebben gekregen, zullen misschien niet zo snel weerkeren. Voor hen, die nu niet wakker zijn, kan het wellicht nog wel even duren voordat zich weer vergelijkbare mogleijkheden voordoen.
En de etherische wederkomst van Christus is nu eenmaal geen uiterlijk waarneembare gebeurtenis, maar kan alleen door het eigen etherlichaam waargenomen worden.

MN: En je bedoelt, dat hebben de mensen toen niet zo begrepen, en het geldt in zekere zin nu nog steeds?

CF: Ja. Ik kon in de terugblik beleven, wat voor een enorme pijn het voor Rudolf Steiner betekende, dat de mensen simpelweg geslapen hebben en niet rijp waren, de spirituele impulsen werkelijk op te pakken. Voor mij was het verschrikkelijk verpletterend, om mij zo onverbiddelijk met de gevolgen van het toenmalige falen geconfronteerd te zien. Dat gebeurde bovendien nog op dezelfde plek, namelijk op de eerste, in 1919 in Stuttgart gegrondvestte Waldorfschool (de allereerste Vrije School ter wereld dus: de ‘oerschool’ (vertaler)). Destijds als lerares, in dit leven als moeder – de gehele problematiek meer van buitenaf belevend.

MN: Je man Markus was 15 jaar geleden betrokken bij de start en de inrichting van een archief over de eerste Waldorfschool. Had dat destijds je bijzondere interesse? Heeft het je geholpen, opdat je enige tijd later door tastbare feiten je eigen ervaringen kon verifiëren?

CF: Markus heeft immers niet alleen het archief bewerkt, maar zich ook reeds lange tijd daarvoor intensief met de geschiedenis van de anthroposofische vereniging uiteengezet en een omvangrijke bibliotheek met betrekking tot dit thema bezeten. – Ik ben door hem zeker veel te weten gekomen, waarvoor ik van mezelf uit weinig interesse had. Tot dan toe had ik me meer met Steiner zelf bezig gehouden, niet met de problematiek van zijn omgeving en de tijd na zijn dood.
Wanneer ik bijvoorbeeld de boeken over Ita Wegman las, ondervond ik hetgeen zich in de vereniging heeft afgespeeld als je reinste horror en hoopte ik alleen maar, dat ik met dit hele circus niets van doen zou hebben.
De eerste herinnering aan deze tijd heeft mij dan ook behoorlijk geschokt. Dat was zeker geen wensvoorstelling! Ik vroeg Marcus na deze herinnering naar het boek over de lerarenkring rond Rudolf Steiner, om mijn herinneringen te kunnen verifiëren. – Dat was reeds een waardevolle hulp, om de eigen belevenissen aan te vullen met een uiterlijke levensbeschrijving. Overigens is het daarbij ook duidelijk, dat een door andere personen gemaakte uiterlijke levensbeschrijving nog niet de innerlijke werkelijkheid van de betreffende persoon tot uitdrukking brengt.

MN: Wanneer men namen concreet benoemd, zet het kwaad bloed, wanneer men ze niet noemt, krijg je soortgelijke geruchten. Of je nu links- of rechtsom gaat, aan mogelijke kwaadwillendheid valt niet te ontkomen. Natuurlijk zijn er werkelijk zeer goede redenen te noemen om bij het vertellen van inzichten omtrent het eigen verleden in kleinere of grotere kring niet de naam toe te voegen, of deze nu onbekend is of – wellicht binnen zeer kleine kringen – bekend. Maar men zou moeten nagaan, denk ik, of het vandaag niet aan de tijd is, hierover – als je het voor jezelf kunt verantwoorden- opener te zijn. Zelfs als binnen de Vrije School beweging de namen van het complete lerarencollege van de eerste Waldorfschool bekend zouden zijn (wat ik betwijfel), dan zal niet snel iemand optreden die nu zal beweren bijzondere drang te voelen deze gereïncarneerde leerkracht te zijn. Het lijkt me in dit geval een relatief ‘ongevaarlijke situatie’. Het zou me verheugen en ik zou werkelijk dankbaar zijn, wanneer je de naam zou kunnen uitspreken, die je op basis van je karmakennis in het vorig leven gehad hebt.

CF: Nou, als je het zo direct vraagt: Clara Michels. Ik kan me haast niet voorstellen, dat iemand deze naam überhaupt iets zegt en het zou me verbazen wanneer iemand anders nog meent, deze persoon geweest te zijn. Natuurlijk “irrt der Mensch, solang er strebt”.
Dat geldt zowel voor mijzelf als voor anderen en daarvan is zelfs, volgens Rudolf Steiner, ook de hoogste ingewijde niet uitgezonderd. Een veel groter probleem dan de mogelijkheid zich te vergissen, is gelijkhebberij en het aanspraak maken op perfectie, waarachter toch de angst voor het zich kunnen vergissen schuilgaat. Men moet met open vragen en werkhypotheses kunnen leven –zoals overigens ook bij de natuurwetenschappen het geval is. Ik stel mijn verworven inzichten ook telkens weer ter discussie en ga ze opnieuw na met de mij ter beschikking staande mogelijkheden.

MN: Ik dank je voor de gedachte dat de angst voor het zich vergissen de eigenlijke hindernis is om zichzelf ter discussie te kunnen stellen. Wanneer ik het goed begrijp, verhindert deze – waarschijnlijk helemaal niet onderkende- angst feitelijk, dat men zijn inzichten met anderen, die over hetzelfde onderwerp andere inzichten vonden, in een werkgesprek brengt. Als dat zou veranderen, zouden geesteswetenschappelijke onderzoeken ook meer en meer uit het ‘verkondigingskarakter’ komen. Hoe heb je in het geval van Clara Michels ‘uiterlijk’ datgene nagecheckt, wat je geestelijk had uitgezocht?

CF: In dit geval heb ik bijvoorbeeld de geboorte- en stervenshoroscoop door een ervaren astrologe laten vergelijken met mijn eigen geboortehoroscoop. Zij had, zonder te weten waarom het ging, op grond van deze analyse tamelijk exact de in het toenmalige leven ontwikkelde problematiek, die met mijn herinneringen overeenkomt, geschetst en de betreffende thema’s in getransformeerde vorm in mijn huidige horoscoop gevonden. – Bovendien kan door de vergelijking van de stervenshoroscoop van een vroeger leven met de geboortehoroscoop van het daaropvolgende leven altijd gesteld worden of op grond daarvan een samenhang uitgesloten is of niet. – Door zulke controles kan men weliswaar niet vaststellen of men het bij het rechte eind heeft bij de vermoedens omtrent incarnaties, maar ze kunnen – samen met andere positieve aanwijzingen en in de totale context van reeds erkende vroegere incarnaties- tot een ervaarbare zekerheid voeren.
Overigens moet ik hier toch uitspreken, dat ik mijn eerste ervaringen met karma-onderzoek kon opdoen dankzij de hulp van mijn moeder en de door haar ontwikkelde methode: Heide Oehms zal bij de meeste Lazarus lezers bekend zijn. Want ook al kon ik deze methode relatief snel zelfstandig toepassen; ik geloof niet, dat ik zonder deze hulp zo snel tot concrete resultaten gekomen zou zijn.

MN: Welke indrukken van je vorige incarnatie staan je nog voor de geest? – Zijn in deze karmische terugblik ook ontmoetingen met Rudolf Steiner aanwezig? – Hoe heb je de essentie van dit leven in de terugblik beleefd?

CF: De herinnering aan de ontmoeting met Rudolf Steiner behoorde voor mij tot de eerste ervaringen op dit gebied en kwam voor mij als een volslagen verrassing, maar met een schokkende duidelijkheid. Normaal gesproken heb ik bij de herinneringsbeelden eerder bleke of onduidelijke indrukken, maar Rudolf Steiner stond bijna fysiek voor me. Hij was ongelofelijk ernstig en sprak met grote zorg over de toestanden binnen de vereniging. De scene vond plaats in Dornach in de buitenlucht, met een kleine groep mensen die elkaar daar waarschijnlijk toevallig getroffen hadden. Het eerste Goetheanum was er nog.
De exacte inhoud van het gesprek kon ik niet waarnemen, alleen de stemming, die enorm bedrukt was. Ik had de indruk, dat Rudolf Steiner een dringend beroep deed op alle aanwezigen om te doen wat nu noodzakelijk was. Ik beleefde dat als een opdracht en wist op hetzelfde moment – dus met mijn huidige bewustzijn ín de herinnering- dat ik die niet vervuld had. Tegelijkertijd werd me duidelijk dat ik in Dornach slechts op bezoek was en de opdracht op een andere plaats betrekking had. Toen dook de school in Stuttgart op; ik zag mezelf in een klaslokaal jonge kinderen onderrichten, ongeveer de 3e/4e klas. En er verscheen een scene met Rudolf Steiner, hoe hij me op het schoolplein ontmoette en me aanmoedigde zo verder te gaan. – Later breidden deze eerste indrukken zich uit door verder onderzoek.


Het eerste Goetheanum

MN: Dat in de eerste reïncarnatieherinnering de ontmoeting met Rudolf Steiner in bedrukte atmosfeer werd beleefd, verbaasd me nogal, aangezien je er toch van mag uitgaan dat er ook ontmoetingen met Steiner geweest moeten zijn die met veel enthousiasme gepaard gingen.

CF: Deze eerste taferelen heb ik misschien ook daarom als zo bedrukkend beleefd, omdat zich vlak daarvoor een beeld getoond had van een incarnatie, die in een verschrikkelijke ziekenhuisatmosfeer plaatsvond en korte tijd later weer ten einde kwam. Ik beleefde mij buiten dit ongeboren lichaam, wist echter tegelijkertijd, dat deze baby, waar omheen vele artsen in bedrukte stemming stonden, mijn lichaam was. Het moest duidelijk misvormd zijn geweest en nauwelijks overlevingskansen hebben gehad. Toen de artsen de moeder, die nog op een bevallingsstoel zat, dat mededeelden, schreeuwde ze het uit en wilde het kind geheel niet zien. Men heeft het toen eenvoudigweg laten sterven. Dat moet niet lang voor mijn huidige geboorte zijn geweest. Op de vraag naar de oorzaak voor deze misvormingen dook dan de eerstgenoemde scene met Rudolf Steiner op. Je kan je voorstellen dat me dat verschrikkelijk raakte, temeer daar ik destijds nog zeer onvolmaakte voorstellingen van de karmische wetmatigheden had en me schuldig en bestraft voelde.
Later heeft een helderziende, die ook beide incarnaties bevestigen kon, me de aanwijzing gegeven, dat deze misvormingen niets met mijn persoonlijke karma van doen hebben gehad, maar ten doel had de egregor, de groepsdubbelganger van de Waldorfschool, te ontlasten. Dat was echter een schrale troost, omdat ik in die tijd weer onmiskenbaar geconfronteerd werd met dezelfde problemen op dezelfde plaats. Daar moest gewoon wel de vraag opduiken: Waartoe ben ik weer hier? Wat heb ik nagelaten? Wat moet ik nu doen?

MN: Wellicht moet men op deze plaats het begrip van de egregor, respectievelijk de groepsdubbelganger, aan de lezer verduidelijken door te verwijzen naar het artikel van Heide Oehms in Lazarus nummer 2-2003 : “Gedanken zur Zeit mit Hinblick auf frühere Inkarnationen und den karmischen Doppelgänger.” (Gedachten anno nu bij de terugblik op vroegere incarnaties en de karmische dubbelganger) Daar verwees zij naar een beeld, hoe ze een dergelijke egregor in een bepaalde kring van mensen met het geestelijk oog had waargenomen. En ook Harrie Salman behandelde het thema reeds jaren geleden:”Der Kampf um die anthroposohie- Zum Phänomen des Gruppendoppelgängers.” (De strijd om de antroposofie- Het fenomeen van de groepsdubbelganger) (Lazarus nr. 2-1997) Maar nu nog maar eens de vraag, wat na dit leven van Clara Michels gebeurd is en wat voor jouw de essentie hiervan was?

CF: Met deze vraag heb ik me toch pas op een later tijdstip bezig gehouden. Ik had enkel fragmentarische, merkwaardige indrukken. Aanvankelijk beleefde ik na de dood van Clara Michels de aanval van een donker wezen, dat als een bom in mij sloeg, waarna een shockachtige verlammingstoestand intrad en uiteindelijk – als door een nevel- in de verre verte een beeld van de Waldorfschool en toen de bliksemachtige gedachte: “Ik moet daar weer heen!” Verder niets. Geen terugblik, geen stapsgewijs terugbeleven, zoals men zich dat zo voorstelt of van andere levens kent. Meteen daarop vond een zeer snel losmaken van de aarde plaats: direct naar de school van Michael en snel weer terug naar de aarde!
Bij het afdalen naar de aarde stortte zich weer hetzelfde donkere wezen op mij, dat ik na de dood achtergelaten had. Het nestelde zich in het zich nieuw vormende lichaam en veroorzaakte daar waarschijnlijk deze misvormingen. Na de dood van dit misvormde babylichaam werd ik door zoiets als een jubelstemming ontvangen in de geestelijke wereld, alsof ik een grote daad volbracht had. Ik beleefde mezelf als een soort bliksemafleider voor dit donkere wezen. – Door dit en vergelijkbare belevenissen heb ik geheel nieuwe dimensies van karmische wetmatigheden leren kennen. – Instituties van welke soort dan ook, bergen altijd het gevaar in zich, dat het individu zich achter een groepsbewustzijn verbergt, dat een uiterlijke schijnzekerheid door de groep tot gemakzucht in het denken en traagheid van het hart leidt, terwijl de morele moed naar ‘minus oneindig’ neigt. Niet voor niets heeft een Indische filosoof gezegd: “Wanneer God de wereld een nieuwe religie schenkt, komt direct de duivel en organiseert deze.”

MN: Dus zoals er een gemeenschapsengel van een groep van samenwerkende mensen kan zijn, kan zich ook een groepsdubbelganger ontwikkelen. En dit werkt dan als realiteit - des te meer, wanneer men daartoe de ogen sluit. Ken je nog mensen uit je vorige incarnatie -dit wanneer we even afzien van deze korte tussenliggende aardeverbinding- die ook nu weer geïncarneerd zijn. En zo ja, heb je het gevoel, dat met hen een samenwerking mogelijk is, zoals Rudolf Steiner in zekere zin voorspeld dan wel verwacht heeft?

CF: Ik zou het graag eens zo zeggen: ik ken enkele mensen die vaak vergelijkbare problemen meemaken als ik. Rudolf Steiner’s voorspelling zorgt altijd nog voor enige verwarring onder de huidige antroposofen, omdat deze tot nu toe in elk geval niet in deze vorm niet aangetroffen lijkt te worden. Het eerste, wat vanuit mijn gezichtspunt aan deze overgeleverde uitspraak aanvullend gecorrigeerd zou moeten worden, is de aanname, dat het een privilege van de toenmalige antroposofen en een bijzondere uitzondering op de karmawet zou zijn, om zich zo snel weer te incarneren. Vanuit het gezichtspunt van de vandaag de dag ter beschikking liggende ervaringen geldt deze versnelling van de eigen ontwikkeling echter voor bijna alle mensen in onze zich eveneens razendsnel ontwikkelende tijd. De tweede aanvullende correctie hierop heeft Rudolf Steiner zich bij mijn weten voor zijn dood zelf voorgenomen. Hij zou toen in een gesprek met Ita Wegman gezegd hebben dat de antroposofen, als ze dan weer zouden komen aan het einde van de 20e eeuw, waarschijnlijk eerst met de verwerking van hun eigen karma bezig zouden zijn. Dat wil dus zeggen: eerst maar eens het huiswerk maken, voordat men in de volgende klas wil komen!


Het eerste Goetheanum na de brand, oudejaarsnacht 1922

Een grote beweging naar buiten toe zie ik op het moment niet. Dat zou ook niet zonder meer wenselijk zijn: men heeft reeds destijds naar buiten toe teveel hooi op de vork genomen en daarbij het innerlijke werk veronachtzaamd. Nu zou eerder het inzicht passend zijn, dat men de wereld niet kan verbeteren voordat men zichzelf verbeterd. En met betrekking tot de vraag naar samenwerking nog dit: samenwerking met weer geïncarneerde antroposofen vindt in mijn leven reeds plaats, maar eerder in de zin van bewustwording, verwerking en het in stilte verder ontwikkelen. En weliswaar niet het theoretisch ontwikkelen, maar het praktische doen, in het dagelijkse leven, in de directe omgeving. In de poging, om datgene wat men begrepen heeft, ook werkelijk te leven. – Het kan toch niet meer daarom gaan, steeds meer weten op te stapelen of altijd weer Steiner-boeken te herkauwen, maar om antroposofie werkelijk te leven, het wakker worden aan andere mensen – de omgekeerde cultus- in praktijk te brengen, geestelijke en karmische werkelijkheden daarbij te betrekken, en bovenal zichzelf te veranderen en een verbinding met de etherische Christus te creëren. Dat gaat echter alleen met afzonderlijke mensen die daartoe bereid zijn. Dat laat zich niet institutionaliseren. Ook niet in de huidige antroposofische instituties, waar men het toch altijd nog met machtspelletjes, gewichtigdoenerij en geldingsdrang van doen heeft en de ‘clerus fractie’ nog altijd niet op kan houden met ‘inquisitie-spelletjes’.
Mijn ervaringen zijn van dien aard, dat de noodzaak van het samenwerken tussen verschillende karmische stromingen daar op weinig begrip stuit en er al helemaal geen sprake is van het bewust daaraan werken. Platonisch of manicheïsch gestemde zielen voelen zich binnen deze machtstructuren meestal niet goed. Die vertrekken of vanzelf, of worden eruit gewerkt, of lijden er innerlijk aan.


De eerste Waldorfschool (rechterdeel) met tal van uitbreidingen

MN: Steiner sprak er in zijn laatste jaren over dat de antroposofen van de eerste generatie alleen de ‘voorbereiders’ zouden zijn voor datgene, wat dan als spiritualiteit ook andere, nog niet geïncarneerde individuen mee zouden brengen. In de kern heb je deze vraag eigenlijk door het zojuist gezegde beantwoord. Echter toch nog even heel direct: Heb je de indruk dat de door Steiner als noodzakelijk voor de aardecultuur geachte ‘culminatie’ van de spirituele impuls plaatsgevonden heeft, of heb je eerder de indruk van een spirituele neergang, gemeten naar wat in de eerste decennia als aanzet gegeven is?

CF: Puur uiterlijk gezien is er een culminatie in de zin van de uitbreiding van de antroposofische impuls in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw geweest. Vele Waldorfscholen werden opgericht, euritmie-opleidingen gesticht, etcetera. Maar dat is reeds lang voorbij en had ook alleen betrekking op de verbreiding van de zogenaamde dochterbewegingen, zonder dat tegelijkertijd de spirituele impuls vernieuwd of verdiept is. Natuurlijk betekent dat niet, dat er niet ook veel goed werk is verricht, maar gemeten naar hetgeen eigenlijk de bedoeling was, kan men vandaag welzeker van een neergang spreken, - ook puur uiterlijk gezien.
Bijzonder duidelijk is dat voor mij aan de euritmie te zien, waarmee ik immers zelf geconfronteerd word. Vandaag de dag zijn er nauwelijks nog mensen, die euritmie willen studeren. Cursussen en optredens vinden nauwelijks nog weerklank, en ook de heileuritmie zakt in. – De euritmie in haar huidige vorm wordt tamelijk acuut met uitsterven bedreigd, terwijl tegelijkertijd incidentele inspanningen voor nieuwe aanzetten de hoop levend houden, dat de spirituele bronnen misschien toch weer tot nieuw leven gewekt kunnen worden. Ook dat moet Rudolf Steiner nog kort voor zijn dood hebben uitgesproken, dat de euritmie na zijn dood een snelle veruiterlijking tegemoet zou gaan.
Ik heb het zelf zo beleefd, reeds in mijn opleiding, dat dat, wat mij daar geboden werd, niet hetgeen was, wat ik eigenlijk zocht. Ik had immers in mijn vorige incarnatie het ontstaan van de euritmie meebeleefd en vervolgens de wens ontwikkeld: in het volgend leven zou ik euritmie willen studeren! Ja, deze wens drong dan ook behoorlijk hevig aan op vervulling. Alleen was de euritmie in de tussentijd bij lange na niet meer hetzelfde als in het begin.

MN: Hoe bedoel je dat?

CF: Puur uiterlijk gezien had veel zich verder ontwikkeld en was perfecter geworden. Maar de spirituele impuls was in het beste geval alleen nog in theorie daar. -Ik ben tamelijk jong, op m’n 18e, met de opleiding begonnen en kon mijn ontevredenheid niet zo goed verwoorden. Ik wist alleen dat er iets miste. Op m’n 20e had ik dan een soort sleutelbelevenis. Ik had toen in Järna aan een bijeenkomst van de jeugdsectie deelgenomen en me ingeschreven voor een euritmie-workshop. Het ging over het ‘beleven van het etherische in de kunst’. Daar heb ik voor de eerste keer een vermoeden gekregen, waarom het eigenlijk gaat. In de opleiding werden deze kwaliteiten niet aan ons overgedragen. Daar werd vanuit de traditie nagebootst en werden meer of minder vastgelegde bewegingspatronen ingestudeerd. Ik heb me in toenemende mate afgevraagd, wat dat eigenlijk allemaal te betekenen heeft en waarom ik daar eigenlijk ‘rondhuppelde’.
Ook toen ik later door het zelf les geven, de opleiding voor heileuritmie en door een voortdurend worstelen om de spirituele substantie te pakken te krijgen, veel kon uitdiepen en voor mijzelf nieuw leven kon inblazen, heb ik toch nog lange tijd mijn basisopleiding als een korset beleefd waar ik niet meer uitkwam, dat ik niet af kon leggen, hoewel het me hinderde.
Desondanks heeft de euritmie mij niet losgelaten. Ik heb me steeds weer voor nieuwe aanzetten ingespannen en probeer het ook nu weer. Maar er is eigenlijk geen draagvlak voor. Euritmie wordt niet meer gewenst. Soms denk ik wel eens dat het goed zou zijn wanneer het oude zo snel mogelijk zou verdwijnen, opdat een nieuwe impuls zich weer kan incarneren en de oude impuls niet als een soort comapatiënt blijft bestaan.
Maar voor de duidelijkheid: de euritmie is alleen maar een voorbeeld, waaraan de neergang bijzonder duidelijk wordt. Dat wat Steiner van de toenmalige en weer terugkerende antroposofen verwachtte, is duidelijk niet opgepakt, nog niet eens begrepen.

MN: Over welke verwachting heb je het?

CF: Bijvoorbeeld de bewuste arbeid aan het eigen karma. Dit had een van de meest wezenlijke opgaven van de leden moeten wezen. Maar tot op de dag van vandaag is dit een taboe-onderwerp! Rudolf Steiner heeft meerdere pogingen ondernomen om de noodzaak van concreet karmaonderzoek duidelijk te maken:
1. In de esoterische school. Daar waren reeds vergelijkbare oefeningen.
2. In de mysteriedrama’s en in het ontstaan van de euritmie en het eerste Goetheanum, waarvan de plastische vormen reeds een verlevendigende werking op de etherlichamen moesten uitoefenen. Dat alles moest tot de ontwikkeling van de toekomstige etherische helderziendheid leiden. Steiner zei eens, dat hij geen verdere voordrachten meer had hoeven houden als de mensen zijn mysteriedrama’s begrepen hadden. Dat deze impuls werkelijk niet opgenomen werd is echt een grote tragedie!
3. Een laatste –bijna vertwijfelde- poging volgde door de Kerstbijeenkomst en de daaropvolgende karmavoordrachten, waar hij heel concreet werd.

Tegenwoordig kan je zeggen dat de vaardigheden waar Steiner over gesproken heeft er daadwerkelijk zijn, dat methoden voor bewustwording en verwerking van vorige levens ontwikkeld zijn, wereldwijd. – Het minst echter bij de antroposofen zelf.

De geestelijke wereld zoekt nu eenmaal andere wegen, wanneer er één afgesneden wordt. Ook andere dingen, die Steiner voorspelt heeft zijn er: spirituele impulsen op alle levensgebieden tot en met de technologische ontwikkeling. Daar is in de laatste jaren toch buitengewoon veel gebeurd. Antroposofen lijken deze ontwikkeling te verslapen of er wat arrogant om te lachen of eenvoudigweg alleen maar af te keuren. Bij mij komt bij de restanten van de antroposofische vereniging het beeld op van een verdroogde stengel van een paardebloem. Er omheen zijn echter vele andere paardebloemen opgekomen!

MN: Welke consequenties voor je verdere werk hebben al deze inzichten voor je?

CF: Tja, daar is de laatste jaren veel voor mij veranderd.. Ik stond aanvankelijk na mijn ervaring ten tijde van Rudolf Steiner voor een groot raadsel, voor de vraag naar de opgave, de consequentie van het toenmalige falen. Valt nalatigheid eenvoudigweg goed te maken? Of heeft ook niet iedere tijd zijn geheel eigen opgaven, die men wederom ook niet moet verzaken door puur op het achteraf in orde brengen van de verzuimde opgaven te gaan zitten? – Is werken binnen de antroposofische instellingen mogelijk en nodig? Of gaat men liever in stilte andere wegen? Ik stond hierover in een grote tweestrijd. Deze tweestrijd was evenwel reeds de voortzetting van de innerlijke tweestrijd in het vorige leven, waar vanuit ik mij in een innerlijk toevluchtsoord teruggetrokken had.

MN: Waaruit bestond deze tweestrijd?

CF: Die bestond eruit, de eigen integriteit niet te kunnen leven binnen de gemeenschap, zich echter niet uit de gemeenschap los te kunnen maken. Daar was machteloze woede over onrecht, over aanspraken die niet waar gemaakt werden. Daar was de dwang, óf zich aan te passen en mee te doen óf te gaan. Dat zou echter het verlies aan zekerheid en geborgenheid hebben betekent.

MN: Dit persoonlijk beleefde en -zoals je reeds beschrijft- zelfs voor de gemeenschap mede op je genomen falen is toch iets volkomen actueels, wat het ergste toch in de nazitijd, die je zelf meebeleefd hebt, echter verborgen en niet minder schadelijk in zovele werk- en samenlevingsverbanden ook vandaag plaatsvindt. Ik denk dat van jouw ervaringen – in de consequenties boven het ene leven uitstijgend – vele anderen iets kunnen leren!

CF: Nu ja, destijds leek mij geen andere keus te resten dan daar te blijven, in de Waldorfschool, en alles te slikken wat zich daar afspeelde. Daar leek mij enkel nog ‘de innerlijke emigratie’ te geven en zich buiten alle strijd te houden. Dat was echter een onwaarachtige situatie. Dit zwakke, dus mijn persoonlijke karmische patroon, dat voor mij tot deze last geleid heeft, betekende: zich uit louter harmoniebehoefte aan te passen en zwijgend het onrecht en de wandaden aan te zien, daardoor echter zich zelf en het eigen geweten niet te kunnen leven!

MN: Heb je wel eens daarover nagedacht, waarom je lot je in een dergelijke situatie gevoerd heeft, waar had je moed moeten tonen, om als mens integer te kunnen leven?

CF: Ja. En ik kwam erop, dat dit patroon bij mij reeds oeroud is en dringend aan verandering toe. Zo beleefde ik de werkingen van het verleden op het latere leven. En door dit met bewustzijn nu aan te gaan kan deze zwakheid nu hopelijk eindelijk overwonnen worden. Want ze wortelde in angsten die in vroegere incarnaties zijn ontstaan, waar het uitspreken van de waarheid mij in gevaarlijke situaties deed belanden, die vervolging en vlucht tot gevolg hadden. Dat was weer het gevolg van nog vroegere patronen, waar ik zelf niet in de omgeving wilde zijn, waarin het lot me had geplaatst. Dat is een thema, dat je in veel van mijn verhalen in een bepaalde vorm weervindt. (zie eindnoot)

MN: Kun je een concreet voorbeeld beschrijven?

CF: Ik had bijvoorbeeld in de 10e eeuw na Christus een incarnatie in een Mongools ruitervolk gevonden, nadat ik reeds in vroegere levens de Christus-impuls opgenomen had. Het leven in dit volk bestond onder andere uit rooftochten, waar men bepaald niet kleinzielig met het leven van andere mensen omging. Toen dan de aanvoerder, wiens zoon ik was, zelf in een dergelijke strijd om het leven kwam, heeft mij dat wakker geschud. Ik wilde dergelijke rooftochten niet meer ondernemen. Dat werd echter vanzelfsprekend van mij, als opvolger, verwacht. Aangezien ik mijn gewetensbezwaren niet kon formuleren en ook geen alternatieven te bieden had, überhaupt alleen stond met mijn bevindingen, was het resultaat, dat ik afgezet en verdreven werd. – Ik ben in een boedhistisch klooster beland, waar ik weliswaar een voor mijn eigen ontwikkeling passender omgeving vond, maar nu eenmaal niet in de met mij verwante omgeving kon werken. – Dergelijke belevenissen veroorzaken natuurlijk angsten en remmingen. En men ontwikkelt dan ‘vermijdingsstragieën’ , om niet telkens weer dezelfde pijnlijke belevenissen te hebben.
Maar om op je vraag naar de consequenties van deze karmische kennis terug te komen: Tot de eerste consequenties voor mij behoorde het inzicht in de noodzakelijkheid van karmawerk, zoals ik deze van Heide geleerd heb en sindsdien ook met andere mensen in praktijk breng. Aanvankelijk had ik nog de naïeve voorstelling, dat ik deze impuls van karmakennis op zijn minst nog in de Stuttgarter school op de agenda zou kunnen krijgen. Maar dat was werkelijk een illusie. In de weinige momenten waar het überhaupt nog mogelijk was, in privégesprekken, met leraren daarover te spreken, stootte ik slechts op onbegrip. Ik werd daar behandeld als een ‘domme moeder’ die sowieso van Walfdorfpedagogie geen verstand had..!
Bij onze verhuizing naar Sleeswijk-Holstein kwam bij mij logischerwijs de vraag op, of ik mijn bestemming nog een keer binnen een Waldorfschool als leerkracht zou moeten zoeken. Aanvankelijk waren mijn toenmalige inspanningen eerder halfslachtig. Want eigenlijk had ik een afschuw daarvoor en was ook tamelijk blij als het aanvankelijk niet lukte. –Pas twee jaar geleden, toen ik overigens op dezelfde leeftijd was als Clara Michels toen ze destijds op de Waldorfschool kwam, was ik innerlijk zo ver, dat ik het werkelijk wilde proberen. Dat kwam ook met een uiterlijke en tegelijkertijd ijzeren noodzakelijkheid bijna dwangmatig op mij af, zodat ik het niet uit de weg kon gaan.
In de Waldorfschool raakte ik weer tamelijk snel in een situatie verzeild, waar ik geen andere keus had: ik moest mijn terugtrekneigingen overwinnen, me tegen onrecht verzetten en stelling innemen of simpelweg vertrekken. Compleet helder en bewust koos ik voor de eerste mogelijkheid. Ik heb iedere gelegenheid tot gesprek benut, om mijn eigenlijke wens zo duidelijk mogelijk te articuleren. Steeds weer probeerde ik op de noodzaak te wijzen aan het karma te werken, opdat de daarmee verbonden knopen en sociale problemen ontward konden worden. Ook op het belang van de samenwerking tussen de verschillende karmische stromingen wees ik meerdere malen.
Men wenste geen gesprekken meer met mij en uiteindelijk kreeg ik mijn ontslag. Achteraf gezien kan ik zeggen, dat ik ondanks uiterlijke mislukking voor mezelf persoonlijk een grote doorbraak – een grote bevrijding- beleefd heb. Het was als een terugwaarts gespiegelde verwerking van het toenmalige leven. Interessant is in deze samenhang ook, dat een karmawet bevestigd werd, volgens welke een verwerking van vroegere problemen hetzelfde aantal aan maanden nodig heeft, als het vroeger aan jaren geduurd heeft. Daar heb ik achteraf een verbluffende ontdekking gedaan: Clara Michels was 15 jaar lang aan de Stuttgarter school verbonden (van 1923-tot de sluiting van de school door de nazi’s in 1938). In het huidige leven zat ik als leerling precies 15 maanden op mijn eerste Waldorschool (ook in Stuttgart, maar niet op de ‘moederschool’). Destijds was mijn vader net zo oud als ik nu en in een vergelijkbare situatie. Wij trokken na deze 15 maanden weg uit Stuttgart, naar Krefeld, daarvoor woonden we aan het Bodenmeer. –Later bracht ik nogmaals 15 jaar door in Stuttgart (1985-2000), en beleefde de eerste Waldorfschool als moeder. En de laatste ronde van verwerking duurde wederom weer 15 maanden; in ieder geval ontving ik tot op de dag exact na 15 maanden mijn ontslag.

Hoewel het voor mij op dit tijdstip geheel verrassend kwam, had ik korte tijd later het gevoel, dat dat alles compleet in orde is en nu eindelijk een zware last van mij afvalt! Dat ging verbazingwekkend snel, dat ik alles los kon laten, zonder wrok en verbittering, zonder resignatie of frustratie dat ik niet begrepen ben. Integendeel: Eerder met opluchting en vreugde daarover, dat de jarenlang ondervonden belasting bijna in een flits van mij afgenomen werd. Ik kon ook accepteren, dat mijn werkzaamheid zich mogelijkerwijs naar een geheel ander vlak verplaatst heeft dan ik mezelf aanvankelijk had voorgesteld. De grootste verworvenheid was echter het breken van mijn innerlijke ketenen en het vasthouden en niet uit willen wijken. Nu voel ik mij geheel vrij, als een vlinder, die net de cocon verlaten heeft en die er zeker niet weer in wil –omdat zoiets ook simpelweg niet meer kan.
Ik kan echter deze oude ‘gevangenis’-dat hele samenstel van problemen, die het naast al het mooie in het verleden gaf- innerlijk waarderen en dankbaar zijn, dat ik mij in dit ‘omhulsel’ heb kunnen ontwikkelen. Ik hoef mijn wortels nu niet meer te verloochenen, noch daaraan vast te houden. Voor mijn verdere werkzaamheid is in elk geval duidelijk, dat ik geen halfbakken compromissen meer hoef aan te gaan en dat ik mij aan niets en niemand meer verplicht zal voelen als aan mijzelf, dat wil zeggen: mijn eigen geweten. –En dat ik iedere gelegenheid zou willen benutten, dat ook te benadrukken. Of ik daarbij ook begrepen zal worden of vijandigheid oogst, speelt nu geen rol meer.
Ik dank je Monika, dat je mij door je vraag om een interview en je vragen een dergelijke gelegenheid tot een concrete voorstelling van karmische samenhangen ook in de anthroposofische beweging gegeven hebt.

MN: En ik dank je zeer voor de moed, zonder er omheen te draaien ook de naam te durven noemen. Des te meer omdat ik weet, wat voor overwinning daar eigenlijk voor nodig is. Bedankt!


Naschrift


Clara Michels
(8 maart 1880-27 maart 1944)

(De informatie komt uit het boek: “De lerarenkring rond Rudolf Steiner in de eerste Waldorfschool”, uitgeverij Freies Geistesleben, Stuttgart 1979)
Clara Michels, dochter van een arts, had vijf zussen. Zij studeerde natuurkunde en wiskunde in Bonn, Heidelberg en Berlijn, onder andere bij Max Planck. Reeds in haar studententijd ontmoette zij Rudolf Steiner. –Haar één jaar jongere zus Getrud studeerde zang aan de hogeschool voor muziek in Keulen, maar moest echter na overbelasting van de stem een andere opleiding kiezen. Zij leerde tuinbouw en bijenteelt in Berlijn. Daar was tezelfdertijd ook Clara. –Toen beiden in Söcking bij München woonden, kwam een samenwerking met de theosofen in münchen tot stand. In het mysteriedrama, “de beproeving van de ziel” speelden zij en twee andere zussen de boerinnen in de middeleeuwse scenes. –Clara ging werken als lerares wis- en natuurkunde op het meisjesgymnasium in Hamelen. In 1922 nam Gertrud het tuinbouwonderwijs aan de eerste Waldorfschool op zich. In 1923 werd Clara als klasselerares op de school aangesteld. “Zij bewoonde een kamer in het huis van haar zus (bij de schooltuin), die ze diepviolet had laten schilderen. Op een van rugleuningen voorziene divan pleegde ze te werken, schriften te corrigeren, en getuigschriften te schrijven. Zij was een statige, breedgeschouderde verschijning.” (Paul Matthiesen) “Iedere morgen, als je in de school kwam en Clara Michels de hand gaf, merkte je: door deze lerares kun je je gerust bij de hand laten nemen. Haar ogen keken je daarbij aan, alsof ze alleen jou en niet nog 36 andere leerlingen verwacht hadden. Een golf van sympathie, ja liefde, een golf van vertrouwen, van vreugde ging van ogen en handdruk uit, en men ging opgewekt en verwachtingsvol op zijn plek zitten. De klas was vrolijk en betrokken en volgde met enthousiasme de lerares. Eigenlijk heeft zich aan deze ceremonie van de eerste tot de achtste klas niets veranderd. Je voelde alleen, dat je iets miste, als het niet tot het ’s ochtends de hand schudden en het in de ogen kijken, in de ziel kijken was gekomen, wanneer je te laat was en mevrouw Michels al met de les was begonnen. Pas later begreep ik, dat met de blik de harten geopend werden en de handdruk een praktische impuls aan het handelen gaf. Mevrouw Michels begreep de zwakke punten van haar leerlingen en kon ze met groot geduld oplossen. (…) Bij maandfeesten en bij de Kerstspelen zagen wij de leraren en leraressen van de andere klassen op de bühne, terwijl mevrouw Michels bescheiden in de zaal zat. (…) Opgewassen tegen het leven werden alle leerlingen van de Michelsklas. De handdruk had ze juist handelen geleerd, de blik hun harten geopend, de goedheid en het geduld van Clara Michels bracht ze menselijkheid bij, het onderwijs vrij denken. (…) Voor de laatste maal zag ik mevrouw Michels, toen ik in de oorlog voor de marine opgeroepen werd en met een militair transport het station van Stuttgart verliet. Zij gaf me nog eenmaal de hand, en ik voelde me net zoals destijds in de eerste klas, alsof alle angst voor wat komen ging van me weggenomen werd.”(Hans-Frieder Willmann).


Noten:

1. Zie ‘Ken je karma. Karma inzicht en zelfontwikkeling’ Heide Oehms,Uitgeverij Vrij Geestesleven, Zeist, 2000 (De uitgeverij ging failliet, maar het boek is via iedere boekhandel te bestellen dmv het ISBN-nummer (ISBN 90 6038 470 9) of direct bij de Amsterdamse boekhandel 'de Zaailing'.
2. Andere ervaringen uit vroegere aardelevens van Christiane Feuerstack zijn in 2006 in boekvorm verschenen. 'Samenkörner karmische Bilder'. Zie hiertoe haar website. (http://christiane.feuerstack.net/)