|
![]() |
| Zachariël> Artikel |
|
26-6-2007
printversie:
Naomi Klein: No Logo 2 Merkenvrij
in de vrijhandelszones No Logo, blz 115-120 De ondraaglijke lichtheid van Cavite: de omstandigheden in de vrijhandelszones Ondanks de conceptuele briljantheid van de strategie van 'merken, geen product' kun je, irritant genoeg, nooit helemaal boven de productie uitstijgen: iemand moet zijn handen vuil maken en de producten produceren waar de wereldmerken hun zingeving aan ontlenen. En op dat punt doen de vrijhandelszones hun intrede. In Indonesië, China, Mexico, Vietnam, de Filippijnen en elders zijn exportverwerkende zones (zoals deze gebieden ook wel worden genoemd) ontstaan die de belangrijkste producenten zijn geworden van kleding, speelgoed, schoenen, elektronica, machinerie en zelfs auto's.
Als Nike Town en de andere superstores de glinsterende nieuwe toegangspoorten zijn naar de gemerkte droomwerelden, dan is de exportverwerkende zone Cavite in het stadje Rosario, 160 km ten zuiden van Manila, de bezemkast van die merkenwereld. Nadat ik een maand lang soortgelijke industriële gebieden in Indonesie had bezocht, arriveerde ik begin september 1997 in Rosario, aan het einde van het regenseizoen en het begin van de economische crisis in Azië. Ik wilde een week in Cavite doorbrengen, omdat het de grootste vrijhandelszone van de Filippijnen is, een ommuurd industriegebied van 2,8 vierkante kilometer met 207 fabrieken die uitsluitend goederen voor de exportmarkt produceren.
Het leek wel of alle zestigduizend inwoners van Rosario
op pad waren; de drukke, smoorhete straten van de stad barstten van
de tot minibusjes omgebouwde legerjeeps en van motoren met rammelend
zijspan die als taxi's dienden; op de trottoirs wemelde het van de
kraampjes waar nasi, Coke en zeep werd verkocht. Die commerciële
activiteit was grotendeels bestemd voor de vijftigduizend arbeiders
die zich door Rosario haastten, op weg naar hun werk en naar huis;
de toegangspoort van de zone ligt in het hartje van de stad.
Ik kreeg slechts toestemming voor een bezoek binnen de zone om officiële functionarissen te interviewen -de fabrieken zelf, zo werd me duidelijk gemaakt, zijn verboden terrein voor iedereen behalve potentiële importeurs en exporteurs. Een paar dagen later lukte het me toch met de hulp van een achttienjarige arbeider, die uit een elektronicafabriek was ontslagen, weer naar binnen te glippen voor een niet-officieel bezoek. In de rijen vrijwel identieke, op reusachtige schuren lijkende gebouwen, sprong maar een fabriek eruit: op het witte, rechthoekige bouwsel stond 'Philips', maar achter het hek eromheen zag ik enorme stapels Nike-schoenen liggen. Je zou zeggen dat in Cavite de productie de laagste status van onze tijd krijgt toebedeeld: de fabrieken zijn onmerkbaar, nog geen Nike-logo waard; de producenten zijn de paria's van de bedrijfstak. Is dit wat Phil Knight bedoelde, vroeg ik me af, toen hij zei dat het in zijn bedrijf niet om sportschoenen ging? De productie is binnen de zone geconcentreerd en geïsoleerd alsof het giftig afval is: pure productie, honderd procent productie tegen lage, o zo lage prijzen. Net als alle concurrerende exportverwerkende zones presenteert Cavite zich als een groothandelsgrabbelton voor multinationals die op koopjes uit zijn -met een heel grote winkelkar. Binnen wordt duidelijk dat de rij fabrieken, allemaal met een eigen toegangspoort en eigen bewaking, zorgvuldig is opgezet om ervoor te zorgen dat er een maximale productie uit dit stukje grond kan worden gestampt. Werkruimten zonder ramen, gemaakt van goedkoop plastic met aluminium randen, zijn met maar ongeveer een halve meter tussenruimte naast elkaar gepropt. Rekken met kaartjes voor de registratie van de werktijd staan in de brandende zon en zorgen ervoor dat aan elke dag een maximaal aantal werkuren wordt onttrokken.
De straten in de zone zijn griezelig leeg, en door de
open deuren -in de meeste fabrieken het enige ventilatiesysteem -zie
je rijen jonge vrouwen die zich zwijgend over lawaaierige machines
buigen. In andere delen van de wereld wonen er mensen in de industriële
gebieden, maar in Cavite is dat niet zo: het is een plek waar alleen
maar gewerkt wordt. Alle kleurrijke bedrijvigheid van Rosario komt
abrupt ten einde bij de toegangspoort, waar arbeiders hun identiteitskaart
moeten tonen aan gewapende bewakers om binnen te kunnen komen. Bezoekers
worden er maar zelden toegelaten en straatventers vind je in de ordelijke
straten nauwelijks; zelfs snoep en drankjes worden er niet verkocht.
Bussen en taxi's moeten langzaam rijden en mogen niet toeteren -een
opvallend verschil met de rumoerige straten van Rosario. Dit alles
geeft je het gevoel dat Cavite een ander land is, en in zekere zin
is dat ook zo. Dit is de zone van de belastingvrije economie, waar
het plaatselijke stadsbestuur en het provinciebestuur geen zeggenschap
hebben -een miniatuurdictatuur binnen een democratie. Ook al hebben de exportverwerkende zones veel gemeen
met deze andere belastingvrije toevluchtsoorden, toch zijn ze in feite
een klasse apart. De exportverwerkende zone is niet zozeer een haven
voor transport en opslag, maar een autonoom gebied waar goederen niet
alleen maar worden overgeslagen, maar feitelijk worden geproduceerd,
en bovendien een gebied waarin geen in- en uitvoerrechten worden betaald
en vaak ook geen inkomsten- en vermogensbelasting. De gedachte dat
exportverwerkende zones de economie in de derde wereld zouden kunnen
stimuleren, vond voor het eerst ingang in 1964, toen de sociale en
economische raad van de Verenigde Naties een resolutie aannam waarin
de zones werden goedgekeurd als een middel om de handel met ontwikkelingslanden
te bevorderen. Maar het idee kwam pas echt van de grond aan het begin
van de jaren tachtig, toen India een belastingvrije periode van vijf
jaar invoerde voor bedrijven die goederen produceerden in gebieden
met lage loonkosten.
Als economisch model hebben de exportverwerkende zones
van tegenwoordig meer gemeen met fastfoodketens dan met projecten
voor duurzame ontwikkeling, zo weinig hebben ze gemeen met de landen
die ze huisvesten. Deze enclaves van zuivere industrie verbergen zich
achter een dekmantel van vluchtigheid: de contracten komen onopvallend
binnen en worden even onopvallend uitgevoerd, de arbeiders zijn voornamelijk
migranten uit verre streken die zich nauwelijks verbonden voelen met
de stad of de streek waarin de zones liggen; mensen worden maar voor
korte tijd in dienst genomen en arbeidsovereenkomsten worden vaak
niet verlengd. Terwijl ik door de karakterloze straten van Cavite
loop, voel ik de dreiging van het gebrek aan duurzaamheid, de onderliggende
instabiliteit van de zone. De verbindingslijnen tussen de op schuren
lijkende fabrieken met het omringende land, de naburige stad, de aarde
zelf waarop ze zijn neergezet, lijken zo gemakkelijk te verbreken
dat je onwillekeurig gaat denken dat de banen die hier vanuit het
noorden zijn ingevlogen, met dezelfde snelheid weer kunnen verdwijnen.
De fabrieken bestaan uit goedkope constructies die op gepachte grond
op een kluitje staan. Als ik de watertoren aan de rand van de zone
beklim en neerkijk op honderden fabrieken, lijkt het alsof dat hele
bordkartonnen complex zo zou kunnen wegwaaien, net als het huis van
Dorothy in The Wizard of Oz. Geen wonder dat de fabrieken uit de exportverwerkende
zones in Guatemala 'zwaluwen' worden genoemd.
De uitdrukking 'belastingvakantie' is merkwaardig goed gekozen. De investeerders beschouwen de vrijhandelszones als een soort Club Med van het bedrijf, waar het hotel alles betaalt, de gasten van een gratis verblijf genieten en de aansluiting bij de plaatselijke cultuur en economie tot het uiterste minimum wordt beperkt. Een rapport van de International Labor Organization vermeldt dat de exportverwerkende zone 'voor een onervaren buitenlandse investeerder zoiets is als een geheel verzorgde vakantie voor een toerist die geen risico’s wil lopen'. Globalisering waaraan je je geen buil kunt vallen. Bedrijven voeren gewoon stukjes textiel of computeronderdelen in - vrij van invoerrechten -en goedkope arbeidskrachten die geen lid zijn van een vakbond zetten ze in elkaar.Vervolgens worden de voltooide kledingstukken en elektronica weer uitgevoerd -zonder uitvoerbelasting. De redenering luidt ongeveer als volgt: natuurlijk moeten bedrijven belasting betalen en zich strikt houden aan de nationale wetten, maar alleen in dit ene geval en op dit specifieke stukje land wordt maar zeer tijdelijk een uitzondering gemaakt -ten behoeve van de toekomstige welvaart. Daarom staan de exportverwerkende zones als het ware tussen juridische en economische haakjes en worden ze afgezonderd van de rest van het land -Cavite valt bijvoorbeeld uitsluitend onder het bestuur van het federale ministerie van handel en industrie van de Filippijnen; de plaatselijke politie en het gemeentebestuur hebben zelfs niet het recht zich in de zone te vertonen. De diverse blokkades en omheiningen dienen een tweeledig doel: de meute weghouden van de dure goederen die in de zones worden geproduceerd, maar ook, en dat is nog belangrijker, het land afschermen tegen wat zich binnen de zones afspeelt. Omdat men de zwaluwen met zulke verleidelijke middelen probeert te lokken, versterken de barrières rondom de zone het idee nog eens dat wat in de zones plaatsvindt van tijdelijke aard is, of eigenlijk helemaal niet gebeurt. Deze collectieve ontkenning is vooral van belang in communistische landen, waar de zones onderdak bieden aan de meest meedogenloze vormen van kapitalisme in het Oostblok: dit gebeurt absoluut niet echt, zeker niet hier, waar de zittende regering er nog steeds van overtuigd is dat het kapitaal de duivel zelf is en dat de arbeiders de macht in handen hebben. In haar boek 'Losing Control?' schrijft Saskia Sassen dat de zones deel uitmaken van een proces waarbij 'een stuk van het land feitelijk gedenationaliseerd wordt'. Het maakt niets uit dat de grenzen van deze o zo tijdelijke, niet echt bestaande, gedenationaliseerde gebieden steeds verder worden verlegd en steeds grotere gedeelten van de feitelijke naties opslokken. Momenteel leven 27 miljoen mensen overal ter wereld tussen haakjes, en die haakjes worden niet langzamerhand verwijderd, maar breiden zich juist steeds verder uit.
Een van de vele wrede ironieën van de zones is
dat elk lokmiddel dat regeringen inzetten om de multinationals aan
te trekken, alleen maar de indruk bevestigt dat de bedrijven economische
toeristen zijn in plaats van duurzame investeerders. Het is een klassieke
vicieuze cirkel: in een poging de armoede te verlichten bieden regeringen
steeds meer voordelen aan, maar vervolgens moeten de zones als melaatsenkolonies
van de buitenwereld worden afgesloten, en hoe meer dat gebeurt, des
te meer lijken de fabrieken zich in een wereld te bevinden die absoluut
niets met het gastland te maken heeft, terwijl buiten de zone de armoede
slechts uitzichtlozer wordt. Cavite is een soort futuristische industriële
voorstad waar alles is geordend; de arbeiders dragen een uniform,
het gras is gemaaid, in de fabrieken wordt gedisciplineerd gewerkt.
Op het hele terrein zie je aandoenlijke opschriften die de arbeiders
aansporen 'onze zone schoon te houden' en 'vrede en vooruitgang op
de Filippijnen te bevorderen'. Maar je hoeft alleen maar de toegangspoort
uit te lopen om die zeepbel uit elkaar te laten barsten. Afgezien
van de drommen arbeiders die je ziet wanneer de ploegen elkaar aflossen,
zou je niet zeggen dat de stad Rosario meer dan tweehonderd fabrieken
herbergt. De wegen zijn in slechte staat, stromend water is schaars
en de straten liggen vol afval.
De 'industrialisaties tussen haakjes' op de
Filippijnen is allerminst uniek. De huidige populariteit van het model
van de exportverwerkende zone is gebaseerd op de successen van de
economieën van de zogenaamde Aziatische tijger, vooral op die
van Zuid-Korea en Taiwan. Toen de zones nog maar in een paar landen
te vinden waren, onder andere in Zuid-Korea en Taiwan, gingen de lonen
gestadig omhoog, vond er overdracht van technologie plaats en werden
er geleidelijk belastingen ingevoerd. Critici van exportverwerkende
zones wijzen er echter onmiddellijk op dat de concurrentie in de mondiale
economie veel feller is geworden sinds deze lagelonenlanden zijn overgegaan
op industrieën die meer scholing vereisen. Tegenwoordig wedijveren
zeventig landen om de dollars van de exportverwerkende zones, investeerders
worden verleid met steeds aantrekkelijkere voordelen en de lonen en
arbeidsomstandigheden worden in gijzeling gehouden door met vertrek
te dreigen. Het resultaat is dat hele landen veranderen in industriële
sloppenwijken en getto's van onderbetaalde arbeiders zonder dat er
een einde in zicht is. Bij de viering van de vijftigste verjaardag
van de Wereldhandelsorganisatie viel de Cubaanse president Fidel Castro
uit tegen de wereldleiders: 'Waar moeten we van leven? [...] Welke
industriële productie blijft er voor ons over? Niets anders dan
technisch laagwaardige arbeidsintensieve en zeer vervuilende bedrijfstakken?
Willen ze een groot deel van de derde wereld soms in een grote vrijhandelszone
veranderen, vol fabrieken waar alleen maar onderdelen in elkaar worden
gezet en die niet eens belasting hoeven te betalen?' Hoe slecht
de situatie in Cavite ook is, ze valt in de verste verte niet te vergelijken
met die op Sri Lanka, waar zeer lange 'belastingvakanties'
ertoe leiden dat steden zelfs geen openbaar vervoer meer kunnen bieden
aan de arbeiders in de exportverwerkende zones. De wegen die naar
de fabrieken leiden zijn donker en gevaarlijk, omdat er geen geld
is voor straatverlichting. De kamers in de slaaphuizen zijn zo overbevolkt
dat de bewoners witte strepen op de vloer hebben getrokken om de slaapplaats
van elke arbeider aan te geven -'het lijken wel parkeerplaatsen',
merkte een journalist op.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||