printversie:
(geen PDF? klik hier)
Van
Pearl Harbor tot Nederlands-Indië
Deel
2
Roosevelt's
strategie
Drs.
EC Bakker
(Voor
voetnoten en verantwoording citaten: zie printversie bovenaan)
1 Yamamoto's aanvalsplan
Beziet men de hiervoor geschetste gebeurtenissen sinds
1939, dan is het al een aardige exercitie om je af te vragen wanneer
de VS nu op Japanse maatregelen reageren en wanneer het omgekeerde
het geval is. Dat de Japanners zenuwachtig worden van een dreigend
gebrek aan olie, moge duidelijk zijn.
Gedurende 1940 hielden ze in Japan nog het hoofd koel.
Na Roosevelt’s herverkiezing veranderde dat. Het is niet zo
dat de Japanners op dat moment al vastbesloten waren de aanval te
openen; daarvoor waren de onderlinge meningsverschillen nog veel te
groot. Een deel van de Japanse militaire en politieke top was voorstander
van een snelle aanval richting Brits Maleisië en Ned-Indië.
Velen achtten het echter hoogst onwaarschijnlijk dat bij een dergelijke
aanval de VS afzijdig zouden blijven. Bovendien was een aanzienlijk
deel van de beleidsmakers behoorlijk gematigd; deze zagen nog voldoende
mogelijkheden voor diplomatieke oplossingen. Het ziet er naar uit
dat men al met al (weer eens) tot een compromis kwam: Brits Maleisië
en Ned-Indië zouden niet aangevallen worden, maar de diplomaten
moesten wel een hardere toon aanslaan, de positie in Frans Indo-China
moest verstevigd worden en het leger diende voorbereidingen te treffen
voor een mogelijke oorlog met de VS.
In januari 1941 bezocht een nieuwe Japanse delegatie
Batavia, met aan het hoofd een typische ultra-nationalist, Kenkitshi
Yoshizawa. De Japanse eisen werden extra opgeschroefd om de Nederlanders
onder druk te zetten, bijvoorbeeld door ook nog eens visserijrechten
te claimen.

Admiraal Isoroku Yamamoto, najaar 1940
In januari 1941 begon opperbevelhebber Yamamoto serieus
militaire voorbereidingen te treffen voor een groots opgezette bliksemaanval
in geheel Oost-Azië.
Zeker is dat Yamamoto, die op zichzelf eerder tot de gematigder Japanse
beleidsmakers te rekenen valt, de deelname van de VS bij een Japanse
aanval op de olievelden onvermijdelijk achtte. In zijn ogen was vanuit
militair gezichtspunt een drie vliegen in één klap benadering
dan nog het meest realistische alternatief; het uitdelen van een mokerslag
aan de Britten, Nederlanders en Amerikanen door de inname van geheel
Zuidoost-Azië, inclusief Australië, en de voorlopige uitschakeling
van de Amerikaanse vloot in Hawai. Tegelijkertijd waarschuwde hij
dat de VS niet echt verslagen konden worden. Hij voorspelde dat Amerika
binnen twee, drie jaar door de opbouw van haar oorlogsindustrie, Japan
in militaire kracht zou overvleugelen. Japan kón eigenlijk
niet winnen. Als loyaal militair was hij echter bereid de verantwoordelijkheid
op zich te nemen om de eerste slag zo hard en effectief mogelijk toe
te brengen. Daarna zou het alle hens aan dek zijn om de veroverde
positie zou sterk mogelijk te maken om de onvermijdelijke Amerikaanse
tegenaanval te keren.
In de beschrijvingen van de oorlog in de Stille Oceaan
ontbreekt vaak het besef hoe stoutmoedig Yamamoto’s aanvalsplan
eigenlijk was. Neem je de gigantische afstanden en de veelheid aan
militaire doelen in aanmerking, dan betreft het één
van de grootste militaire operaties in de geschiedenis. Natuurlijk
grenst een dergelijke onderneming aan de waanzin, maar laten we wel
terdege beseffen dat het destijds ook het voorstellingsvermogen van
de geallieerden tartte. In de discussie over Pearl Harbor wordt daarom
regelmatig betoogd dat men nu eenmaal veel tegenstrijdige berichten
over Japanse plannen en concrete vlootbewegingen ontving. Men kón
zich eenvoudigweg niet voorstellen dat Japan op alle fronten tegelijk
zou aanvallen.
De opdracht aan Yamamoto veroorzaakte intern veel beroering
en vrijwel onvermijdelijk lekte wat informatie naar buiten. De meest
beroemde en algemeen geaccepteerde waarschuwing over een mogelijke
aanval op Pearl Harbor kwam van de Peruaanse ambassadeur in Japan,
Ricardo Schreiber. Deze stapte op 26 januari op een Amerikaanse diplomaat
in Tokio af en vertelde hem opgewonden dat hij uit betrouwbare bron
had vernomen dat Japan in het geval van een conflict met de VS een
verrassingsaanval op Pearl Harbor zou trachten te plegen.
Tegelijkertijd greep Japan de gelegenheid aan om tussenbeide
te komen bij de al weken voortslepende schermutselingen in Indo-China
tussen Franse en Thaise troepen. (Thailand claimde stukken van Cambodja
en Laos.) Op 30 januari vond openlijk machtsvertoon plaats van de
Japanse vloot voor de zuidkust van Vietnam. In Saigon werd onder ‘bemiddeling’
van Japan een vredesovereenkomst tussen Vichy-Frankrijk en Thailand
ondertekend.
Beziet men de situatie in Azië van januari 1941
vanuit het gezichtspunt van een militair, dan heeft men serieus rekening
te houden met een Japanse aanval. In Zuidoost-Azië deed zich
de unieke situatie voor dat Groot-Brittannië, Ned-Indië
én de VS stappen moesten zetten om een gezamenlijke strategie
te formuleren, voor het geval Japan een greep naar de olievelden zou
doen.

De Mitsubishi Zero was in 1941 superieur qua wendbaarheid, snelheid
en multi-inzetbaarheid
Wanneer je de militaire krachtsverhoudingen van dat
moment in ogenschouw zou nemen, dan waren ze op papier redelijk in
evenwicht. De Japanse marine was in omvang tweederde van de Amerikaanse
marine. Weliswaar hadden de Amerikanen hun marine over twee oceanen
verdeeld, maar de Britse en Nederlandse marine legden ook gewicht
in de schaal. De Japanse luchtmacht was superieur, in aantal en technisch
opzicht: een tiental vliegdekschepen maakte de luchtmacht ook nog
eens extreem mobiel. Als het gaat om aantallen soldaten was de zaak
op het eerste gezicht in balans. Het Japanse leger voerde echter oorlog
in China en moest daar een enorm gebied bezet houden. Tegelijkertijd
had de jarenlange oorlog in China zeer geharde en ervaren Japanse
troepen opgeleverd, wat van doorslaggevende betekenis is op het slagveld,
al ben je in de minderheid.
Dat Japan een tegenstander van formaat was, was weliswaar duidelijk,
maar het zojuist geschetste geeft ook aan dat de werkelijke krachtsverhoudingen
moeilijk in te schatten waren.
Het probleem voor het organiseren van de verdediging
van Zuidoost-Azië was lastig. Men kon in geval van oorlog een
zware aanval verwachten, maar waar? De Japanners zouden het dubbele
voordeel hebben dat zij de keuze van initiatief hadden én hun
krachten konden concentreren.
Mijns inziens school aan geallieerde kant een stuk onderschatting
in het hoogontwikkelde organisatievermogen van de Japanners, waarmee
ze, onzichtbaar op papier, een grote voorsprong hadden op hun geallieerde
tegenhangers. De samenwerking tussen de marine en de landmacht, vaak
een knelpunt vanwege de verschillen in strategie en organisatiecultuur,
was bij mijn weten uniek. Op basis van dit organisatievermogen smeedde
Yamamoto zijn aanvalsplan van een aanval op alle fronten tegelijk.
2 Het McCollum document
Tot zover een inventarisatie die men op basis van reguliere
bronnen kan maken. In de VS werd in 1966 de ‘Freedoms of Information
Act’ aangenomen. Op basis van deze wet kan een afzonderlijke
Amerikaanse staatsburger toegang tot overheidsarchieven afdwingen.
De ex-marine officier en WWII oorlogsveteraan Robert B. Stinnet, ging
vanaf de jaren ’80 op deze basis aan de slag. Hij kreeg daarmee
toegang tot een belangrijk deel van de archieven die tot dan toe gesloten
waren gebleven.

Arthur McCollum
Het spectaculairste document dat Stinnet uit de archieven
heeft gevist is afkomstig van een Amerikaanse inlichtingenofficier
in Tokio. Luitenant-commandant Arthur McCollum groeide op in Japan,
en werd na zijn studie gedetacheerd in Tokio. Daar werd hij hoofd
van het Bureau voor het Verre Oosten van ‘the Office for Naval
Intelligence’(ONI). Als zodanig had hij overzicht over alle
Amerikaanse afluisteractiviteiten in Oost-Azië, en rapporteerde
rechtstreeks aan minister van marine Frank Knox in Washington.
Op 7 oktober 1940 schreef McCollum een memo met aanbevelingen
voor het uitlokken van een Japanse aanval op de VS. De memo begon
met een soort sterkte-zwakte analyse van de Japanse situatie, die
voor Japan in vrijwel alle opzichten nadelig uitpakte. McCollum zag
het zojuist gesloten tripartite-pact tussen Duitsland-Italië-Japan
als een uitgelezen mogelijkheid om via Japan ook in oorlog met Hitler
te raken. Hij betoogde vervolgens dat een snelle agressieve aanval
op Japan, met steun van Groot-Brittannië en China de meeste kans
op succes zou hebben, waarop Duitsland en Italië dan wel eens
de oorlog aan de VS zouden kunnen verklaren. McCollum erkende echter
dat de publieke opinie in de VS tegen een dergelijke aanval zou zijn.
Hij concludeerde daarom dat de meest reële optie een Japanse
aanval op de VS zou zijn. Zijn analyse culmineerde in een lijst met
8 punten, waarmee Japan tot zo’n aanval geprovoceerd zou kunnen
worden:
A. Tref een overeenkomst met Groot-Brittannië voor
het gebruik van Britse bases in Oost-Azië, met name Singapore.
B. Tref een overeenkomst met Nederland voor bevoorrading en gebruik
van faciliteiten in Nederlands Indië.
C. Geef alle mogelijke hulp aan de Chinese regering van Chiang Kai-shek.
D. Stuur een divisie van zware lange afstandskruisers naar de Oriënt,
de Filippijnen of Singapore.
E. Stuur twee divisies duikboten naar de Oriënt.
F. Concentreer de hoofdmacht van de Amerikaanse vloot in de omgeving
van Hawai.
G. Dring er op aan dat de Nederlanders weigeren om tegemoet te komen
aan Japanse eisen voor buitensporige economische concessies, met name
olie.
H. Kondig een complete boycot af van alle Amerikaanse handel met Japan,
in samenwerking met een vergelijkbare boycot door het Britse Rijk.

De betreffende pagina van de McCollum memo
(gescand: onderstreping niet in origineel)
Het komt niet vaak voor dat dergelijke strategieën
openlijk op papier gevonden worden. In zijn boek ‘Day of Deceit’
gebruikt Stinnett de acht punten van McCollum als leidraad voor de
zich ontwikkelende gebeurtenissen.
Op zichzelf valt het document eenvoudig te bagatelliseren. Bijvoorbeeld
door McCollum als een naar promotie hunkerende militair te zien, die
mee wil denken in Washington. Dat zou best wel eens zo kunnen zijn.
Het document zelf hoeft daarmee ook niet zo heel veel te zeggen over
de waarde die Roosevelt eraan hechtte. Voor mijzelf is zo’n
document dan ook niet doorslaggevend. Het blijft vooral zaak om op
de feitelijke handelingen te letten. Daaruit volgt dat het Amerikaanse
beleid niet alleen in veel opzichten overeenkomt met het McCollum
document, al waren er verschillen in de specifieke uitvoering van
de acht punten, maar dat Roosevelt nog veel verder ging.
Een dag na de McCollum memo vonden direct twee gebeurtenissen
plaats. Het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken gaf het
advies aan alle Amerikanen in het Verre Oosten om zo snel mogelijk
te evacueren. Op dezelfde dag legde Roosevelt de uitlokkingsstrategie
op subtiele wijze voor aan de commandant van de Amerikaanse vloot
in de Stille Oceaan, admiraal James Richardson. De heren hadden al
maanden discussie over de mogelijkheid Hawai als centrale vlootbasis
in te richten. Richardson vond dat de vloot daardoor nodeloos kwetsbaar
werd. Toen Roosevelt opperde dat een Japanse ‘fout’ ,
zoals het tot zinken brengen van een Amerikaans oorlogsschip, tot
verontwaardiging en dus steun voor een oorlog onder de Amerikaanse
bevolking zou leiden, reageerde Richardson furieus. Er was geen sprake
van dat hij zijn manschappen bloot zou stellen aan een dergelijke
strategie.

Admiraal Richardson legt de eed af voor de commissie in 1945
(maar speelde daar geen open kaart)
Richardson werd officieel uit zijn functie ontheven
op 1 februari 1941, tijdens een grootscheepse, door Roosevelt georchestreerde,
reorganisatie van de Amerikaanse marine. De president passeerde meerdere
potentiële opvolgers en benoemde admiraal Kimmel tot hoofd van
de ‘Pacific Fleet’. Dergelijke reorganisaties hebben altijd
iets ondoorzichtigs, waarbij meestal de hoofdreden, in dit geval steun
voor de uitlokkingsstrategie, wordt gemaskeerd door een andere, ditmaal
het opdelen van de Amerikaanse marine in een Atlantisch en een Aziatisch
deel. Enerzijds worden figuren die het eens zijn met de nieuwe strategie
op sleutelposities benoemd (die zich vaak niet als sleutelpositie
laten herkennen), anderzijds worden brave maar minder capabele lieden
omhoog gepromoveerd, meestal op een goed zichtbare positie. De laatsten
zijn degenen die terecht kunnen zeggen dat ze van niets wisten, en
dat ze hun best hebben gedaan. Zij zijn bij uitstek degenen die eventueel
als zondebok kunnen functioneren. Kimmel behoorde tot de laatste groep.

Februari 1941
Officiële overdracht van commando door Richardson aan Kimmel,
aan boord van vlaggeschip USS Pennsylvania
Daarmee keren we weer terug naar het begin van 1941.
Op 10 februari vond een discussie plaats in het Witte
Huis, waarbij Roosevelt zich voorstander toonde van de strategie van
het onverwacht opduiken van Amerikaanse oorlogsschepen in de buurt
van Japans gebied: “Ik wil dat ze hier en daar opduiken
en de Japanners in verwarring brengen. Het kan me niet schelen als
we er één of twee verliezen, maar ik wil niet de kans
lopen er vijf of zes kwijt te raken.” Van deze operaties
zijn er drie gedocumenteerd. De eerste daarvan vond plaats in het
uitgestrekte gebied van de door Japan beheerde Carolinen en Marianen
ten oosten van de Filippijnen. Een Amerikaanse vloot van 15 schepen
doorkruiste midden maart het gebied.
Dergelijke provocerende acties werden gecombineerd met het verschijnen
van Amerikaanse marineschepen op verschillende plekken in Zuidoost-Azië
om feestelijkheden met vlagvertoon bij te wonen. De statement die
daarmee werd gemaakt moge duidelijk zijn: we zijn hier als informele
bondgenoot.
Hoe stond het Amerikaanse embargo ervoor rond deze tijd?
Zoals gezegd, was de export van vliegtuigkerosine verboden sinds juli
1940. Er waren echter sterke aanwijzingen dat dit exportverbod niet
gold voor olieraffinaderijen aan de Amerikaanse westkust. De Japanse
consul in San Francisco verzekerde Tokio midden september 1940: “Al
onze exportverzoeken zijn toegewezen. De Amerikaanse agentschappen
waarvan de olie wordt gekocht geven hun akkoord en treffen passende
overeenkomsten met de autoriteiten in Washington.”
Van een echt embargo was op dat moment geen sprake. Naar schatting
werd in de periode juli 1940 tot april 1941 in totaal 0,9 miljoen
ton olie vanuit de VS naar Japan verscheept. Het ziet er daarmee eerder
naar uit dat Japan de import uit de VS intensiveerde onder het motto
‘zolang het nog kan’. De schattingen voor de Japanse economie
gaven aan dat Japan in geval van oorlog een olievoorraad van 7,9 miljoen
ton nodig had om het één jaar vol te houden. Men was
dan ook bezig enorme voorraden aan te leggen.

Voorjaar 1941
De Japanse olietanker Nisshin Maru wordt volgepompt in Porta Costa,
Californië
3 Het kraken van de Japanse
codes
In november 1940, na de verkiezingsoverwinning van Roosevelt,
schijnt in Singapore het eerste militaire overleg te zijn gehouden
tussen Engeland, Australië en Nederland, waarbij een mogelijke
aanval van Japan op de agenda stond. Een tweede bespreking volgde
in Batavia. In februari 1941 waren voor het eerst Amerikanen erbij
aanwezig.
Een van de praktische samenwerkingspunten die direct
tot stand kwam was het coördineren van de afluisteractiviteiten.
Met een ring van afluisterstations, van Hongkong tot Canada, van Tokio
tot Bandoeng (‘Kamer 14’ bij de Nederlandse basis op Oost-Java),
van Singapore tot Manilla, kon geen Japanse radioboodschap meer onopgemerkt
blijven.
De Amerikanen waren er in september 1940 in geslaagd de Japanse diplomatieke
code te kraken: de ‘purpercode’. Op basis daarvan kon
men het verkeer tussen consulaten monitoren. Voor militaire operaties
was echter een andere code van belang, de Kaigun Ango, een systeem
van 29 verschillende codes gebruikt door de Japanse marine.
Hoewel de purpercode en de Kaigun Ango nogal eens met elkaar worden
verward, wordt algemeen erkend dat de Amerikanen dankzij het breken
van de Japanse marinecode de slag bij Midway (juni ’42) hebben
gewonnen. Bij de officiële getuigenissen voor de verschillende
onderzoekscommissies in de VS werd voorjaar 1942 als doorbraak in
de decodering van de Kaigun Ango aangegeven.

Agnes Meyer Driscoll,
"de first lady van marine-cryptologie"
sleutelfiguur bij het breken van de Japanse codes
Het is een grote verdienste van Stinnet dat hij op zoek
is gegaan naar documenten die meer uitsluitsel geven over de decoderingsoperaties
van de Amerikaanse marine. Hij vond een brief van admiraal Ingersoll,
gericht aan de admiraals Richardson en Hart, gedateerd 4 oktober 1940:
“ Iedere beweging van de Oranje (= codenaam voor Japan)
vloot is juist voorspeld.”
Ingersoll refereerde naast de diplomatieke code aan een andere code,
die van Japanse koopvaardijschepen. Voorts schreef hij dat men ook
hard werkte aan verdere decodering, die hij voorjaar 1941 verwachtte.
Daartoe werkte men aan een speciale decodeermachine. Tot op de dag
van vandaag wordt deze machine door de marine in de afgesloten archieven
bewaard, net als het merendeel van de onderschepte en gedecodeerde
Japanse marineberichten.

Robert Stinnett bij een lezing in 2001
Stinnet heeft zich hierin vastgebeten. Het resultaat
is niet zo spectaculair als de McCollum memo, maar eigenlijk van veel
wezenlijker belang. Hij vond tal van versnipperde aanwijzingen dat
de Amerikanen grote delen van Codeboek D, door hen de ‘5-Num
code’ genoemd, vanaf oktober 1940 in handen hadden. Uit de berichtenroute
van McCollum leidt hij bovendien af dat Roosevelt vanaf januari 1941
op de selecte mailinglijst stond van de gedecodeerde berichten van
de Kaigun Ango.
Zoals gezegd, staat het kraken van de purpercode niet
ter discussie. Op 16 oktober 1940 ontving Roosevelt de geheime agenda
van Japanse missie naar Ned-Indië onder leiding van Kobayashi:
“ de VS zijn op dit moment niet in staat actie te ondernemen
ter voorkoming van inbeslagname van Nederlandse bezittingen in het
Verre Oosten door Japan en er mag geen tijd verloren worden om een
dergelijke actie te ondernemen.” De Amerikaanse overheid
heeft nooit openlijk toegegeven dat ze informatie hieromtrent overdroegen
aan de Nederlanders en de Engelsen. Dankzij de focus op McCollum heeft
Stinnet een document gevonden waarin McCollum een kopie van een dergelijk
onderschept bericht doorstuurde aan de Nederlandse kapitein Johan
Ranneft, de Nederlandse marine attaché in Washington. De brief,
dd 30 oktober 1940, gaf nauwkeurige instructies aan de Japanse delegatie
om toestemming te krijgen een basis op te zetten, onder de noemer
van ‘technische assistentie’ , die in werkelijkheid gebruikt
zou worden voor militaire operaties.
Ranneft en McCollum bleken in die tijd vaak samen te
werken. Sterker nog; Stinnett heeft aanwijzingen gevonden dat de Nederlandse
afluistereenheid in Bandoeng belangrijk werk heeft verricht om de
Kaigun Ango te helpen kraken.
In maart 1941 bezocht de Nederlandse minister van Buitenlandse
Zaken, van Kleffens, Washington voor een ontmoeting met Roosevelt.
Toen hij uit de bespreking kwam, liet hij een verslaggever weten:
“We hebben iedere poging van Japan om te ver te gaan afgewezen
en zullen dat blijven doen.” Vervolgens reisde hij per
boot vanaf San Francisco naar Batavia, ondertussen het ene interview
na het andere afgevend met de vinger gericht naar Japan. Daar aangekomen
hield hij besprekingen met gouverneur-generaal van Starkenborgh en
andere bestuurders. De strategie richting Japan werd aangescherpt:
olie bleef in beperkte hoeveelheden geëxporteerd worden, maar
Nederlandse tankers zouden voor transport niet meer beschikbaar worden
gesteld. Dit laatste was voor Japan een enorme provocatie. Stinnet
citeert een reporter van New York Times: “Japan was woedend
en dacht dat van Mook hen in de luren had gelegd.”
De onderliggende boodschap van het hele optreden van deze Nederlandse
minister was zonneklaar: samenwerking tussen Japan en Nederland was
niet mogelijk zonder overeenstemming met de VS. De Japanse militaire
top raakte er hierdoor nog meer van overtuigd dat een aanval op de
olievelden in Ned-Indië nooit kon zonder met de VS in oorlog
te raken. Formeel werden de onderhandelingen tussen Ned-Indië
en Japan op 17 juni stopgezet. Gouverneur-generaal van Starkenborgh,
die na de harde Nederlandse opstelling een oorlogsverklaring niet
ondenkbaar achtte, haalde opgelucht adem nadat Yoshizawa het slotcommuniqué
overhandigde: “Niet vaak heb ik mij zo opgelucht gevoeld.”

Juni 1941,de besprekingen zijn beëindigd,
Van Mook doet Yohsizawa uitgeleide
Roosevelt zette in maart 1941 de Land-Lease Wet in werking,
waarmee de neutraliteitswetten werden omzeild en economische hulp
geboden kon worden aan landen die tegen Duitsland en Italië vochten.
In april stuurde hij marineschepen de Atlantische Oceaan op om Duitse
duikboten aan de Britten te kunnen rapporteren. Tegelijkertijd werd
begonnen met de aanleg van een Amerikaanse basis in Noord-Ierland.
Samen met de Australiërs ging eenzelfde onderneming van start
in Nieuw-Guinea.
4 Het niet-aanvalsverdrag
tussen de Sovjet-Unie en Japan
In datzelfde voorjaar vonden de Japanners het dringend
noodzakelijk om in Berlijn overleg te plegen en in Moskou met Stalin
te onderhandelen. Minister van Buitenlandse Zaken Matsuoka werd op
pad gestuurd.Op de heenweg ging hij eerst voor een kort bezoek langs
Moskou. Hij had als opdracht meegekregen rust te scheppen in de relaties
tussen Japan en de Sovjet-Unie. Zelf ging hij nog een stap verder
en liet de Russen weten interesse te hebben in uitbreiding van het
tripartite-pact met de Sovjet Unie, wat hij in Berlijn zou voorleggen.
Stalin schijnt dit voorstel glimlachend aangehoord te hebben. Eind
maart 1941 arriveerde Matsuoka in Berlijn. De gesprekken duurden meer
dan een week.

Maart 1941, Matsuoka geeft Hitler een cadeau, alvorens de aanval
op Singapore ter sprake komt
Hitler drong er bij Matsuoka op aan dat Japan zo snel
mogelijk Singapore zou aanvallen. Volgens hem zouden de Amerikanen
in zo’n geval zeker niet direct in de oorlog participeren; het
Britse Rijk zou voortijdig onder de druk bezwijken en eind 1941 een
vredesregeling met de Duitsers sluiten. Matsuoka legde uit dat hij
dit in Tokio onder de aandacht zou brengen, maar geen toezeggingen
kon doen omdat anderen in Japan terughoudender waren.
Ten aanzien van de Sovjet Unie bleek er echter sprake te zijn van
oplopende spanning. De Duitsers lieten Matsuoka weten Stalin geheel
niet te vertrouwen en gaven de garantie dat Duitsland Japan per direct
zou steunen mocht Stalin hen in de rug aanvallen terwijl ze oorlog
voerden met de Engelsen. Dit was in het licht der komende gebeurtenissen
een merkwaardig voorstel, waaruit bleek dat Hitler niet geheel open
kaart speelde met Matsuoka, maar wel tussen de regels door zijn plannen
liet doorschemeren. Boeiend vind ik dat je eruit kan opmaken dat Hitler
bij de aanval op de Sovjet Unie,operatie Barbarossa, op een tweede
front tegen Stalin hoopte.
Op 6 april, de dag dat Matsuoka weer naar Moskou vertrok,
begon Hitler’s campagne op de Balkan met de aanval op Joegoslavië
en Griekenland, terwijl de Sovjet Unie net een vriendschapsverdrag
met Joegoslavië had ondertekend. Van Matsuoka’s plan voor
een vierlandenpact was niets terechtgekomen, maar Stalin bood Japan
een non-agressiepact aan voor een periode van vijf jaar. Op 13 april
werd het formeel ondertekend. Volgens goed Russisch gebruik werd vervolgens
de wodka op tafel gezet, ongetwijfeld om eens te zien hoe Matsuoka
het er vanaf zou brengen. Een dronken Matsuoka riep dat Stalin zijn
hoofd eraf mocht hakken als hij zich niet aan het verdrag hield, maar
dat hij in het omgekeerde geval precies hetzelfde bij hem zou doen.
Stalin: “Mijn hoofd is belangrijk voor mijn land en zo is
het uwe. Laten we er zorg voor dragen dat beide hoofden op de schouders
blijven. Per slot van rekening bent u een Aziaat en ik ook. Wij zijn
allen Aziaten!” Matsuoka: “Laat ons drinken op
de Aziaten!”
Stalin deed Matsuoka persoonlijk uitgeleide bij het vertrek op de
trein en omhelsde hem, een unicum, waarvan de foto’s de hele
wereld rondgingen. Op het eerste gezicht creëerde dit verdrag
rust voor de Japanners en voor Stalin. Bekijkt men de zaak opnieuw,
dan is er meer aan de hand. Yamamoto krijgt door het verdrag ruimte
om extra troepen uit Mantsjoekwo in zijn aanvalsplan te betrekken.
Had Stalin enige notie van de Japanse strategie? Ongetwijfeld, dankzij
Richard Sorge, die als medewerker van de Duitse ambassade in Tokio,
een netwerk had opgebouwd dat reikte tot de hoogste Japanse kringen.
Sorge behoort tot de beroemdste spionnen van de 20e eeuw, omdat hij
de Russen op 20 mei over operatie Barbarossa inlichtte.

Meesterspion Richard Sorge; zijn netwerk in Tokyo werd 18 oktober
1941 opgerold
en veroorzaakte vermoedelijk het aftreden van premier Konoye
Stalin’s belang bij het verdrag voert in ieder
geval verder dan alleen rust scheppen in Siberië. In wezen geeft
Stalin Japan de vrije hand om de aanval op Zuidoost-Azië te openen.
Of hij dat bewust deed, is dan een andere vraag, die buiten het kader
van dit artikel valt.
Hitler viel op 22 juni de Sovjet Unie binnen. In Tokyo
brak een verhit debat uit, Matsuoka schaarde zich direct volledig
achter Hitler en stelde voor de oorlogsdoelstellingen te verleggen
en de expansie in Zuidoost-Azië op te schorten. Anderen zagen
een drie frontenoorlog met China, de Sovjet Unie en de VS in het verschiet.
Yamamoto, midden in zijn voorbereidingen, zal Matsuoka ongetwijfeld
voor gek versleten hebben. Matsuoka werd op 2 juli opzij geschoven
en vervangen door de meer op diplomatiek overleg ingestelde Teijiro.
Stalin werd verzekerd dat Japan zich zeer zeker aan het non-agressieverdrag
zou houden, waarop Stalin reeds in de zomer begon om grote legereenheden
uit Siberië naar het westen te verplaatsen. Teijiro werd verder
de taak gegeven om de relaties met de VS weer in beter vaarwater te
krijgen. De militantere stroming kreeg echter ook zijn zin: besloten
werd de Japanse positie in Zuidoost-Azië te versterken. Zo wilde
men de Britten en de Nederlanders onder druk zetten voor het doen
van olieconcessies.

Juli 1941, Japanse soldaten trekken Saigon binnen
5 Totale boycot: juli 1941
Operatie Barbarossa zette een keten van gebeurtenissen
in gang. Op 12 juli werd tussen de Sovjet-Unie en Groot-Brittannië
formeel een bondgenootschap gesloten. Op dezelfde dag legde Japan
bij Vichy-Frankrijk het voorstel tot bezetting van het zuiden van
Frans Indochina neer. De Fransen accepteerden op 21 juli.
Vanuit Japans gezichtspunt onderscheidden zij zich daarmee toch niet
van de Amerikanen, die in april 1941 met een Deense minister in ballingschap,
een verdrag tekenden waarbij Groenland Amerikaans protectoraat werd
en als basis voor Amerikaanse troepen ging dienen. Begin juli verraste
Roosevelt de regering van IJsland met de aankondiging dat Amerikaanse
troepen daar ter vervanging van Britse troepen gelegerd zouden worden.
Roosevelt sprak het Amerikaanse volk toe op 4 juli,
de nationale onafhankelijkheidsdag. Hij refereerde aan de basis van
de Amerikaanse natie van 1776 en vervolgde: “ Ik wil het
Amerikaanse volk nadrukkelijk zeggen dat de Verenigde Staten nooit
als een gelukkige en welvarende oase van vrijheid kunnen voortbestaan
temidden van een woestijn van wrede dictatuur.“
Onderschepte berichten in de purpercode maakten duidelijk
dat de Japanse militaire top van plan was Indochina als springplank
te gebruiken richting Singapore en Ned-Indië. Tegelijkertijd
bleek er ook uit dat oorlog zeker niet onafwendbaar was.
Roosevelt ging op zijn wijze met deze informatie aan de slag en maakte
nu van de aankomende Japanse bezetting van zuidelijk Indochina een
principekwestie. Hij stelde voor geheel Frans Indochina te ‘neutraliseren’
in ruil voor opheffing van het Amerikaanse embargo. Japan liet weten
dat de operatie op deze basis zeker niet afgeblazen zou worden, maar
dat men open stond voor besprekingen. Die werden op 23 juli door Washington
stopgezet. Direct nadat Japanse troepen op 25 juli zuidelijk Indochina
binnentrokken trok Roosevelt de streep: de handel met Japan werd volledig
stilgelegd en alle Japanse financiële tegoeden werden bevroren.
Groot-Brittannië sloot zich hierbij aan.
De Nederlandse regering in Londen werd van tevoren via de Britten
op de hoogte gesteld van de op handen zijnde maatregelen tegen Japan.
Procureur-generaal van Starkenborgh wenste echter concrete toezeggingen
van de VS voor militaire assistentie, voordat Ned-Indië zich
bij het totale embargo zou aansluiten. Hij werd echter voor een fait
accompli gesteld. Op 26 juli ontving hij uit Londen de opdracht passende
maatregelen te nemen.

'Thanks to him the Dutch have had time to get ready'
Van Mook werd in Time Magazine van 18 augustus 1941
als heldhaftige bondgenoot gezien die de situatie juist inschatte
en grote hoeveelheden materieel in de VS bestelde
Ongetwijfeld kreeg de Nederlandse regering regelmatig
via Britten of Amerikanen geselecteerde berichten van de purpercode
onder ogen. Hiermee viel makkelijk een beeld samen te stellen dat
Japan uitsluitend agressieve bedoelingen had. En mocht men al twijfels
hebben, dan zat stellig de overweging in het achterhoofd dat men de
Amerikanen nodig had bij de bevrijding van Nederland. Mijn indruk
is dat men in Londen niet echt nadacht over de gevolgen voor Ned-Indië.
Van Starkenborgh schreef hierover in oktober nog een
brief aan de ambassadeurs in Londen en Washington: “Wij
verschuilen ons achter Engeland en Amerika en wekken de indruk dat
wij handelen naar hùn inzicht en door hùn mond spreken,
terwijl wij vroeger onze kracht tegenover Japan ontleenden aan het
op waarheid rustende betoog dat wij, hoewel wij in menig opzicht met
hen samenwerken, zelfstandig oordelen en geen volgelingen van hen
zijn…. Ook inzake onze verhouding tot Amerika en Engeland is
de gang van zaken bedenkelijk, daar het niet goed is dat deze landen
wennen aan een te ver gaande meegaandheid van onze kant.”
Ned-Indië had zich op 26 juli definitief en openlijk
met de Britten en Amerikanen tegen Japan verbonden. De totale boycot
was het laatste punt van aanbeveling uit het McCollum-document om
een Japanse aanval uit te lokken. Roosevelt voerde de druk echter
nog verder op.

Churchill en Roosevelt op de Atlantische Oceaan
Roosevelt kwam op 9 augustus met Churchill op de Atlantische
Oceaan bijeen voor strategisch overleg. Op 14 augustus maakten zij
het ‘Atlantisch Manifest’ bekend: een visionair stuk waarin
nazi-Duitsland en haar bondgenoten tegenover de voorvechters van een
vrije wereld, i.c. Groot-Brittannië en de VS, werden geplaatst.
In de kiem bevatte het manifest al de oprichting van de Verenigde
Naties. Op 21 september sloot ook de Sovjet Unie zich bij de basisprincipes
van het document aan, waarop Roosevelt de economische hulp aan Stalin
van start liet gaan. In Japanse ogen werd de Sovjet Unie hiermee een
informele bondgenoot van de VS en, non-agressiepact of niet, een reële
bedreiging voor de nabije toekomst.
Japan zat volledig in het nauw. Het land beschikte nu
over oliereserves die voldoende waren om het twee jaar lang vol te
houden. De militante richting zag hierin haar gelijk, maar de diplomatieke
stroming zag nog mogelijkheden.
Vervolg in deel 3: "the
United States desires that Japan commit the first overt act"
Terug
naar boven